Joppe en Gerda

December 2009

Om te kunnen leven moet ik wat me pijn doet, teleurstelt, verdrietig maakt, alles wat me irriteert, waar ik boos van wordt - negeren, opzij schuiven en wegduwen. Ik heb er geen ruimte en tijd voor, het staat me in de weg. Ik moet en wil me verplaatsen in de anderen en begrip hebben. Alleen dan kan ik genieten van wat wel mooi en goed is, van alle gezellige, leuke en mooie lichtpunten die zich deze maand aandienen.
Dat is niet altijd gemakkelijk. Op zijn tijd ben ik behoorlijk depri maar dan weer heel blij of gelukkig door een goed gesprek, een warme knuffel of door de gezelligheid en warmte die ik voel als ik tussen mijn vrienden ben.
Het is verwarrend. Ik ga dood en dat kan ik niet negeren want ik merk dat ik achteruit ga.
Al snel na de reis naar Rome bleek dat fietsen steeds moeizamer ging en dat ik niet meer goed mee kon doen met de gymlessen. Ik had er de lucht en de energie niet voor. Al half oktober heb ik het erover in mijn schrift:

 

“Het gaat slechter met mij. Gister ben ik met de auto naar school gegaan. Dinsdag moest ik erg veel hoesten op de fiets en op school. Gister kon ik ook niet meer gymen. Achterop de fiets van Lizzy heeft ze me naar de sportvelden gebracht. Hockey in korte broek en T-shirt bij maar 10 graden. Na de eerste oefening kreeg ik geen lucht meer. De tweede oefening heb ik aan de kant gestaan. Daarna gingen ze partijtjes spelen. Ik ben me toen gaan omkleden en moest daarna de tijd in de gaten houden, zeven minuten per wedstrijdje. Na de les helpen opruimen en toen naar het gemeentehuis gebracht waar pap me weer kwam ophalen.”

 

Dat voelt zo akelig. De anderen hebben de grootste lol, maken gekheid met elkaar en ik sta aan de kant, kijk toe en hoor er al niet meer bij, zo voelt het. Inmiddels kan ik helemaal niet meer op de fiets naar school. Mam, soms pap,  brengt en haalt me elke dag, mijn ex-lief gaat als het heel koud is en er sneeuw ligt, mee. Dat vind ik wel heel fijn maar nog leuker zou ik het vinden als ik met haar samen op zou kunnen fietsen. Dan kan ik met haar praten, nu niet meer, er zijn altijd anderen bij. Mam, haar broertje die ook vaker met ons mee rijdt. Maar zij vindt het prima zo. Ik ben  ruim een week  na Sinterklaas nog een keer met de fiets naar school gegaan, vooral om nog eens samen met mijn meisje te kunnen fietsen,  maar dat liep op een grote teleurstelling uit en eigenlijk was ik wel boos ook maar dan vermengd met liefdesverdriet want dat is er nog steeds. Ik kon het gelukkig kwijt bij één van mijn vrienden.

 

“Ik heb bloedarmoede, één long, en al heel lang niet gefietst dus geen conditie,..
en ik fietste met haar mee, en haar broertje,.. maar ik kon het niet bijhouden,.. dus vroeg ik of het wat langzamer kon,.. en toen heeft ze me de hele tijd zitten uitleggen hoe irritant het was dat ze niet door kon fietsen enzo, en dat ze me van tevoren had gezegd dat ik het niet aankon, en ze had me wel gewaarschuwd, en het was vrijdag middag,  ze wilde naar huis,.. en het kwam er wat lullig uit enzo,.. maar goed,.. dus ik zeg zo van: jah, dan fiets maar door,.. nee nee, dat was lullig,..
Ik weet niet wat ik vervelender vind,.. dat ze zo doet, of dat ik nog zo verliefd ben, en daardoor afhankelijk.”

 

Die vriendin zei me dat ik het verkeerd aanpakte, dat ik mijn ex meer met rust moest laten en me richten op mijn andere vrienden. Daar had ze wel gelijk in maar eerlijk is eerlijk, dat wat mijn ex-lief tegen me zei toen op de fiets, dat vond ik onder de gordel. “Wat dat betreft, zou ik soms het liefste verhuizen,.. ver weg,.. maar jah,.. dan ben ik de rest van m’n vrienden kwijt enzo,.. jezus, liefdesverdriet is gewoon zo (*&@$#) onhandig!”

 

Het was nog maar kort voor dit voorval tijdens het fietsen dat  ik op school Zwarte Piet mocht spelen samen met drie vriendinnen waaronder mijn lief. Een belevenis was het van het omkleden tot het schminken, foto’s maken en langs de klassen gaan en aanwezig zijn in de kantine. Zo super om gewoon mee te mogen en kunnen doen, erbij te horen.
Ik moest echt wel even moeite doen om mijn teleurstelling, verdriet en boosheid over de irritaties van mijn ex tijdens het fietsen - dat alles - weg te duwen maar het lukte me  door te denken aan  deze mooie Sinterklaaservaring. Ook thuis had ik met pap en mam samen een gezellig sinterklaasavond. Ik moet genieten want ik moet leven zolang het nog kan. Op school beginnen ondertussen de voorbereidingen voor de Kerstviering en vanuit de Medezeggenschapsraad waarvan ik lid ben, wordt ik betrokken bij de organisatie, sterker nog als het erop lijkt dat de hele viering in het water zal gaan vallen neem ik het op me om het toch te laten gebeuren. Ik wil perse dat het gaat lukken. Het geeft me het gevoel van betekenis te zijn, er toe te doen.
Ondertussen merk ik dat het steeds minder wordt, dat ik meer moeite heb met ademhalen, dat ik veel moet hoesten, soms denk ik zelfs dat mijn tijd al gekomen is.

 

Op 17 december heeft pap nog eens naar m’n longen geluisterd. Dat had ik hem gevraagd. Ik kan mijn kamer niet meer op en neer zonder te hijgen alsof ik een sprintje heb getrokken. Dat was abnormaal. Zelfs in rust had ik een veel te hoge hartslag. M’n arm trilt soms van boven tot onder. Rechts hoorde pap niets meer. Die long doet dus niets meer. Waarschijnlijk zit er ook pleuravocht tussen mijn longen. Twee woensdagen daarvoor was ik bij dokter Visser, m’n internist. Het ging juist goed toen. Ik kon zelfs zuchten zonder te hoesten. Nu kan ik niet te lang praten zonder te hoesten. Ik heb pap al gezegd dat ik niet opgenomen wil worden. Geen drain. Geen ziekenhuis. Niet meer. Ik wil thuis zijn. Anders lig ik toch om de week aan de drain. Die tumor krimpt niet. Vandaag, op de 18de staan de tranen nogal eens in de ogen.

Mam en pap weten me over te halen om nog eens naar de longarts te gaan, horen wat die ervan vindt. En zo komt die drain er toch maar ik hoef er niet mee in het ziekenhuis te liggen. In een plastic draagtas zit de zak waarin het pleuravocht wordt opgevangen, ik kan en mag ermee gaan en staan waar ik wil. En daarom vind ik het goed. Alleen als de drain er weer uitgehaald wordt moet ik even één nachtje in het ziekenhuis blijven om te bewaken dat het goed met mij blijft gaan. En dus kan ik verder met het voorbereiden van de kerstlunch op school. De catering moet geregeld maar ook de muzikale omlijsting waaraan leerlingen en leraren mee doen. En met drain en al kan ik op maandag 21 december in de kantine de tafels dekken. Het wordt een heel mooie kerstviering. Een mooi kerstritueel is ook dit jaar door kunnen gaan hoewel het daar een korte tijd niet op leek.  Ik voel me trots en gelukkig. En dan is het kerstvakantie. Twee dagen ziekenhuis om die drain er weer uit te halen.

 

Zomaar, in eens is het de dag voor kerstmis, twee dagen voor mijn verjaardag.
Er ligt inmiddels een dik pak sneeuw, ik houd ervan. Het is net zo als in 1944 toen de Amerikanen – de 101e luchtlandingsdevisie de Screaming Eagles - tijdens het door de Duitsers ingezette Ardenner Offensief hun heldenstrijd voerden. Om Bastogne te verdedigen hadden ze zich in schuttersputjes ingegraven rond de stad.  Kerstmis -  soldaten in schuttersputjes in die ijskoude sneeuw, wachten en wachten en wachten totdat eindelijk Patton met zijn mannen kwam, de Duitse omsingeling doorbrak en Bastogne ontzette. Dappere jongens, ongeveer net zo oud als ik. Veel zijn er gewond geraakt of zelfs gesneuveld. Helden waren het, echte helden.
Het belooft een rustige thuisdag te worden totdat mam het in eens op haar heupen krijgt en zich begint te roeren. Ze hangt een beetje een raar verhaal op wat erop neer komt dat ze naar Panningen moet voor het werk. Ze moet naar de hockeyclub wat flessen drank afgeven voor de het betuur van de vereniging omdat die club zoveel jaar bestaat. Zoiets was het. En ze wil graag dat Paul en ik mee gaan. Paul zegt direct Ja en samen willen ze persé dat ik ook mee zal gaan. Ik voel nattigheid, wat voeren ze in hun schild? Iets met mijn verjaardag? Ik heb mijn oog laten vallen op een Märklin locomotief die ik heel graag wil hebben. Heeft pap die gevonden en gaan we die misschien ophalen? In elk geval is mijn nieuwsgierigheid gewekt en dus ga ik mee. Maar we gaan gewoon naar Panningen en pap rijdt rechtstreeks naar het terrein van de hockeyclub. Mam vraagt of we mee naar binnen gaan want “het kan best wel even duren en anders zitten jullie maar zo in de kou in de auto te wachten”. Pap is gelijk akkoord, niets voor hem. Vreemd, vreemd en nog eens vreemd dit allemaal. Maar oké, ik ga ook wel mee. Het clubgebouwtje ligt er verlaten bij in dat witte sneeuwlandschap. Het lijkt erop dat er helemaal niemand is, dat mam straks voor een gesloten deur staat. En wat gaan we dan doen, waar gaan we dan naar toe? Want dit is volgens mij veel meer een afleidingsmanoeuvre, bedoeld om me op een dwaalspoor te zetten, het heeft vast en zeker iets te maken met mijn verjaardag.
Maar de deur is open, mam stapt naar binnen, pap en ik achter haar aan. We lopen recht tegen de bar aan maar die ligt er verlaten bij. Het is stil en er is niemand te bekennen. Een beetje aarzelend kijken we om ons heen. Wat nu? En dan barst het los. Van achter de bar en de daar achter liggende ruimte komen met veel kabaal allerlei mensen te voorschijn. Het is net of ik naar een film kijk. Het zijn mijn vrienden! SURPRISE! Ik ben niet vaak met stomheid geslagen maar ik kon echt niets meer zeggen.
Ze komen om me heen staan, praten tegen me, omarmen me, feliciteren me alvast met mijn 18de verjaardag. Ze tronen me mee verder de ruimte in. Alles is in Schotse sferen gebracht. Ik zie nu pas dat ook al mijn vrienden wel iets van een Schotse ruit in hun outfit hebben. Een van de meisjes draagt een schots geruit rokje, de andere heeft een panty aan in een Schotse ruit en weer anderen dragen een Schots geruite sjaal. Mij wordt een rode geruite pet op mijn hoofd gedrukt, eentje met een knalrode pompoen er boven op. Het is een gezellig gekwetter en gelach om mij heen, drankjes en hapjes worden aangedragen. Er komt nog meer bezoek. Mijn buurmeisjes en hun vrienden, mijn counselor. Een feest helemaal voor mij en in Schotse sferen omdat ze weten dat ik helmaal gek ben van Schotland en Schotse muziek.
En dan opeens, willen ze een groepsfoto maken, helemaal in de andere hoek van het gebouwtje. Een hoop gedoe, veel gerommel, veel getrek aan elkaar, veel gelach. Ik moet natuurlijk een plekje in het midden krijgen. Ik ga kopje onder in al die drukte. Laat het maar over me komen. Maar dan wordt uit de andere hoek waaruit ik net ben meegesleurd naar de fotohoek, geroepen. “Joppe kom, kom kijken, gauw …” En iedereen stopt met gekken, foto’s maken is niet meer belangrijk. Iedereen kijkt richting de openslaande deuren van de achterom van het gebouwtje. Er is geluid, muziek – doedelzakmuziek. Ik ben net op tijd om te zien, hoe ze komen aan marcheren, een korps doedelzakspelers met verdorie – mijn mentor voorop. Allemaal in vol ornaat. Wat is dit?
Een serenade door een corps doedelzakspelers, speciaal voor mij. Ik ben helemaal maar dan ook  helemaal de controle kwijt, kan niet anders dan alles maar gewoon over me heen laten komen. Aan het eind van het concertje komt de doos met flessen whisky te voorschijn die ik samen met mam aan de spelers geef, dus daar waren al die drankfessen voor die mam zo nodig naar de hockeyclub moest brengen en dus … zaten pap en mam ook in het complot. Iedereen om mij heen wist ervan, samen hebben ze van alles geregeld en ik heb er niets van gemerkt.
De middag vliegt voorbij. Omdat er sneeuw ligt en niet zo’n beetje ook, gaan we buiten sneeuwballen gooien en zelfs sleeën. Ik mag op de slee zitten maar wil ook een keer het sleetje trekken met mijn ex-lief erop. En ik kan het, ik hou het vol. Het gaat goed met mij. Ben ik even blij dat ik toch die drain heb gehad, nu heb ik tenminste weer lucht om dit alles te kunnen doen. En het mooiste komt aan het eind van de middag.  Mijn vriendin, ik kan niet anders dan zo aan haar denken, geeft me een lesje dansen, echt stijldansen. Ik hou haar vast, zij mij. Ik dans. Ik dans met mijn lief. Onze vrienden om ons heen, kijken toe. Dit is geluk.

 

De volgende dag, eerste kerstdag heb ik tijd om alles op me in te laten werken. Pap, mam en ik zijn gewoon met z’n drietjes thuis, onder de kerstboom. Hij is mooi. Morgen ben ik jarig, wordt ik 18. Dan komt de familie en gaan we met z’n allen uit eten. Nu even niets en dat vind ik best wel fijn. Steeds komen er beelden voorbij van wat er gisteren is gebeurd. Ik hoor weer het gepraat en gelach, ik voel weer de armen van mijn lief om mij heen tijdens de dans. Dat ze met z’n allen dit voor mij georganiseerd hebben. Het was een warm bad.
Dan  heeft pap toch nog wat voor mij in petto. Hij wil mij meenemen in de auto naar een paar kleine landweggetjes en daar zal ik dan mogen rijden. Whooo, opnieuw een verrassing want eigenlijk had ik dit van pap helemaal niet verwacht. Die vindt dat je alleen maar les moet hebben van een echte instructeur, van je ouders leer je misschien de foute dingen aan die je dan vervolgens weer moet afleren. En nu, in eens, stelt hij het zelf voor. Het wordt een erg gezellig ritje en ik voel me groeien als ik achter het stuur mag kruipen, m’n voeten op de pedalen en pap die alles op zijn rustige manier uitlegt. Het gaat eigenlijk best goed.

 

Mijn verjaardag. Pap en mam zijn al vroeg uit de veren, ze willen dat ook ik me al aankleedt, niet in mijn pyjama mijn cadeautjes uitpak. Waarom dat nu in eens? Vroeger kreeg ik mijn cadeautjes zelfs wel eens terwijl ik nog in bed lag en nu in eens moet ik er netjes aangekleed bij zitten? Mam voert als argument aan dat je maar nooit weet … misschien staan straks in eens de buurmeisjes in de keuken om me te feliciteren en ik moet toegeven daar kan mam gelijk in hebben en dus kleedt ik me aan. Een trui en blouse waar ik me lekker in voel en dan ga ik er voor zitten en mag ik het ene na het andere cadeautje uitpakken en ja die prachtige Märklin lock is erbij. Dat heeft pap mooi geregeld want ik weet dat die lock helemaal niet makkelijk te krijgen is. Lief van hem dat hij al die moeite heeft gedaan. Mam kijkt uit het raam, steeds als ze op straat een auto hoort. Ze is bepaald onrustig. Ondertussen bewonder ik die locomotief van alle kanten, ik wil Paul laten zien dat ik het een echt heel mooi cadeau vind en dat ik er heel blij mee ben.
Maar dan vraagt mam mijn aandacht. “Kijk eens uit het raam Joppe, daar staat nog een verjaardagscadeau”. Ik ben direct nieuwsgierig, wat hebben ze bedacht? Er staat een knalgele auto voor de deur, op het dak een bordje met een grote L erop. Een lesauto dus. Autorijles, voor mij. Op tweede kerstdag, en dat terwijl ik toch dood ga? Het gaat allemaal door me heen maar tijd om er bij stil te staan heb ik niet, want ik moet naar beneden, ik ga mijn eerste rijles krijgen. De tijd vliegt voorbij, voor ik het weet sta ik weer thuis voor de deur. Ik heb moeten schakelen, sturen en over vier dagen mag ik weer.
De rest van mijn verjaardag is zoals al een aantal eerdere verjaardagen, mijn oma komt samen met de oudste zus van mam met haar man, opa komt, en mams broer met vrouw en zoon zijn er. Meer cadeaus, koffie en een verjaardagstaart, achttien brandende kaarsjes die ik moet uitblazen. Het lukt me, hoewel niet allemaal in een keer. Maar toch … zoveel lucht heb ik nog wel dat ik dat kan en nog zonder uit te barsten in een hoestbui ook. En dan gaan we met z’n allen uit eten, ook dat is al traditie aan het worden. Het is best wel gezellig, al die familie om mij heen. Thuis praten we nog na, mijn oom en moeder, mijn tante, neefje en ik. Oma is samen met zus van mam en haar man naar huis. Pap zit erbij maar dommelt al in slaap. Uiteindelijk, het is al ver in de nacht gaan we allemaal slapen.

Ik ben achttien jaar. Het is me gelukt.

 

De volgende dag ben ik leeg. Alle energie is op, ik heb koude rillingen, mijn spieren krampen op z’n tijd, een beker chocolademelk opdrinken is een enorme inspanning en het hoesten begint ook weer.  Ik doe niet veel meer dan voor de televisie hangen. Het naseizoen is begonnen.

 

 

Juli 2009

We weten het nu, Joppe gaat dood. Zijn vrienden weten het, buren en familie ook. En toch lijkt het leven gewoon door te gaan. Paul naar het werk, ik naar mijn werk en Joppe nog even naar school. Zijn vriendinnetje blijft af en toe slapen, ze hebben het fijn samen. Joppe en ik moeten geregeld bloed laten prikken, hij moet op controle komen bij de specialist in Nijmegen en bij de specialist in Venlo die nu de behandeling weer terug overneemt. Hij zal nog een paar onderhoudskuren chemo krijgen, gewoon om te zorgen dat het leven zo lang mogelijk prettig blijft.
Half juli breng ik Joppe en zijn lief met de auto naar school om hun boeken in te leveren. De vakantie is begonnen. Niets wijst op naderend onheil. Paul heeft het naast zijn werk druk met de muziek, met de harmonie neemt hij deel aan het WMC (Wereld Muziek Concours) dus zijn er veel extra repetities. Alle keren ben ik mee geweest naar het WMC, ook nu. Maar ik kan me er niets van herinneren, het is dit keer iets wat er ook nog bij komt, iets waarvan ik blij ben dat het weer achter de rug is. Nu kunnen we de aandacht richten op de naderende vakantie. Paul en ik, Joppe en zijn vriendin. We willen er iets heel moois en goeds van maken. Want ja, het is misschien wel de laatste keer samen met Joppe.
Maar dan, een week nadat de schoolboeken zijn ingeleverd, begint de ellende. Niet dat Joppe in eens snel achteruit gaat, nee helemaal niet. De klappen komen uit heel andere hoeken. Zijn lief is met een paar vriendinnen naar Renesse in Zeeland. Op de camping, in kleine tentjes, veel naar het strand als het weer het toelaat en ’s avonds uitgaan. Joppe mist haar.  En dan belt ze hem.
Paul en ik krijgen al die tijd die ze nu al bij ons over de vloer komt geen goed contact met haar. We hebben het wel geprobeerd, gesprekjes aangaan, interesse tonen maar ze houdt ons af. Als ze met Joppe bij ons thuis komt,  zitten ze samen even beneden op de bank, even, zo lang als nodig om niet al te onbeleefd te zijn.  Ze is zwijgzaam, antwoord hooguit met een ja of nee, ze blijft gesloten, geen blijken van vriendelijkheid, bijna zelfs geen beleefde frases. Eigenlijk hebben wij het al met haar gehad, we vragen ons af of ze wel het geschikte meisje voor Joppe is. Maar wat kunnen we – helemaal niets. Joppe is gek op haar en heeft haar nodig, juist nu. En dus tolereren we haar, houden onze mond en blijven vriendelijk en gastvrij. En mag ze mee met ons op vakantie. Joppe verheugt zich erop en wij hopen dat als we eenmaal met z’n vieren in een andere omgeving zijn, samen leuke dingen doen, het ijs misschien eindelijk zal gaan breken.
Maar dan belt ze vanuit Renesse om Joppe te vertellen dat ze met een andere jongen gezoend heeft, dat ze misschien niet meer zijn vriendinnetje wil zijn, wel een vriendin hoor, echt wel, maar nou ja eigenlijk …, ze moet er nog over denken en als ze terug is dan moeten ze maar eens praten. Joppe is in alle staten, helemaal over zijn toeren, zijn broze wereldje stort in. Ik ben vooral boos op die meid, hoe in godsnaam kan ze dit nu doen, zo, op deze manier, nu Joppe ziek is, dood zal gaan. Heeft ze dan geen enkel benul wat dit voor hem betekent, dat ze hem,  terwijl hij er toch al zo ellendig aan toe is, nog een schop na geeft? Ik ben razend, maar ik laat niets merken, probeer Joppe te troosten, hem ook te helpen. Misschien wordt de soep wel niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend. Logisch toch, zo’n vakantiesfeertje – een groep meiden, een groep jongens, ze hebben lol met elkaar, gaan uit en ja dan gebeurt er wel eens wat. Maar die jongen, ach die ziet ze daarna nooit meer en misschien zat het haarzelf ook wel hoog, voelde ze zich schuldig en had ze daardoor ook gebeld. Het lukt me om Joppe wat te kalmeren, maar de angst haar te verliezen kan ik niet weg nemen, die blijft aan hem vreten, dat merk ik wel. En ik denk aan die vakantie, hoe moet dat nou als ze niet meer zijn vriendin wil zijn, als ze niet meer mee wil met hem en ons naar Frankrijk. Ook ik voel dat mijn evenwicht wankel wordt, ook ik voel angst en dreiging. Nu, achteraf denk ik dat ze misschien wel had gehoopt dat door te vertellen dat ze gezoend had met een ander, Joppe het zelf zou hebben uitgemaakt. Was misschien wel zo makkelijk geweest, toch?
Ondertussen heeft Paul het heel druk op zijn werk. Daar is hij samen met zijn collega’s onder begeleiding een traject in gegaan om de praktijkorganisatie te verbeteren. Iedereen heeft het zo druk, iedereen heeft daar last van. Kan het efficiënter, moet het anders?Alles komt aan bod, ook de onderlinge samenwerking tussen de assistentes, tussen de artsen en tussen artsen en assistentes. Maar natuurlijk met respect voor elkaar en met ruimte voor iedereen om zijn of haar hart te luchten. Een veilige setting voor iedereen. Mede daarom is die externe begeleider  ingehuurd, om dat te bewaken.  Een moeizaam traject maar wellicht levert het wat op. Paul vindt namelijk al heel lang dat hij onevenredig zwaar belast wordt. Hij houdt zich naast het medisch inhoudelijk werk bezig met het computersysteem van de praktijk maar krijgt daar geen ruimte voor in tijd. Dus moet heel veel onderhoud in zijn vrije tijd gebeuren. Daarnaast heeft hij volle spreekuren, veel meer in zijn beleving, dan zijn collega’s. En als hij eens gaat turven in de afsprakenboeken, blijkt hij gelijk te hebben. Maar die boodschap willen zijn collega’s niet horen. Nee, het ligt volgens hun aan Paul zelf: hij loopt steeds gigantisch uit met zijn spreekuur, hij werkt niet efficiënt. Ook merkt hij dat zijn collega’s met de mond wel meeleven met hem en Joppe, dat ze zeggen dat hij natuurlijk ruimte moet nemen en zal krijgen als dat nodig is. Maar als Paul dat dan doet, zoals op de dag dat Joppe te horen kreeg dat de kanker niet onder controle te krijgen is, dan wordt hem dat kwalijk genomen, dan krijgt hij te horen dat hij niet zomaar kan weg blijven bij een collegiaal overleg, dat hij niet zomaar weg kan gaan, alles uit zijn handen laten vallen. En dat terwijl hij eerst zijn spreekuur heeft afgemaakt, de  assistentes heeft ingeseind, netjes zoals het hoort. De frustratie loopt op, Paul is zeker toe aan vakantie.

 

En dan eindelijk op een zondag het optreden van de harmonie van Paul tijdens het WMC, om Paul mentaal te steunen zit ik zit in de zaal maar ben er eigenlijk niet bij. Ik wil ook Joppe niet alleen laten. Ik ben alleen maar blij dat die stress nu eindelijk afgelopen is. Het resultaat van de harmonie kan me dit keer niet boeien.
In de week hierna, proberen we , ondanks de angst van Joppe om zijn vriendin te verliezen, het leuk te maken. Veel meer kunnen we niet doen. Alles doen zodat Joppe zo lang mogelijk een zo fijn mogelijke tijd heeft. En dus gaan we met hem naar het Eisenbahnmuseum in Bochum. Er is veel te zien aan spoorwegmaterieel. Joppe doet zijn best om interesse te hebben maar we kunnen zien dat het hem moeite kost.  Nog een kleine twee weken dan gaan we op vakantie. Nog even een kuur retuctiemap (zeg maar chemo) voor Joppe, voorbereidingen voor de vakantie.
Dan is het weer zondag, een week voor we op vakantie gaan, en kondigt het lief van Joppe aan dat ze samen met haar moeder langs wil komen. O wee, o wee … mijn hart slaat op hol, wat gaat er gebeuren, ze gaat natuurlijk zeggen dat ze niet met ons mee gaat op vakantie, wat moet ik zeggen, wat moet ik doen, hoe kan ik deze rampspoed afwenden? Ik wil dat Joppe blij en gelukkig kan zijn, zoveel en zo lang mogelijk. En daar hoort bij dat zij er voor hem is en mee gaat op vakantie. Ook al is zij niet de vriendin die Paul en ik voor Joppe zouden uitzoeken. Ook Joppe is best zenuwachtig.
Enige tijd later zitten moeder en dochter naast elkaar op de bank en komt het hoge woord er uit. Nee, ze wil niet meer hét vriendinnetje van Joppe zijn, nee ze houdt niet meer op die manier van hem. Ze vindt hem nog steeds heel aardig hoor, ze wil heel graag een goede vriendin blijven. Ze kan fijn en goed met Joppe praten, hij begrijpt haar, maar nee. Moeders is stil, lijkt mee te zijn gekomen als een soort chaperonne. Ik vertrouw haar niet, is deze verbreking van de relatie, juist nu, zo kort nadat we definitief weten dat Joppe niet meer beter zal worden, soms ingegeven door de ouders van lief? Want uit niets van wat ze zegt komt naar voren wat er nu werkelijk zo anders is geworden. Die jongen in Renesse heeft er ook niets mee te maken.  Joppe is stil, kijkt strak en verdrietig. Mij drijft maar één ding: redden wat er te redden valt, voor Joppe, en dus begin ik te praten als brugman. Eigenlijk praat ik op iedereen tegelijk in. Op Joppe: dat het fijn is dat ze het zo eerlijk zegt en dat hij haar ook nog niet helemaal kwijt is, ze wil immers een heel goede vriendin voor hem blijven. Op lief: dat het fijn is dat ze zo eerlijk is, dat ik snap dat het heel moeilijk voor haar is, dat ze heel veel voor Joppe betekent omdat hij zo fijn met haar kan praten en leuke dingen doen. En ten slotte op lief en moeders samen: dit hoeft toch niet perse te  betekenen dat ze niet mee zou kunnen gaan. Ze had eerder gezegd er best wel veel zin in te hebben, nou dan … ze kan ook gewoon als een goede vriendin mee, toch? Joppe heeft zich er erg op verheugd en als zij er ook zin in heeft, nou waarom dan niet? Joppe leeft op en ook ex-lief geeft blijk van interesse. Als dat zou kunnen? Moeders houdt zich stil en na enige tijd moet ze wel instemmen. De jongelui hebben gewonnen, Vriendinnetje lacht een beetje schuchter, Joppe kijkt weer vrolijker en ik haal opgelucht adem.

 

De volgende dag – maandag – het vervolg van de soap, en zoals dat hoort bij soaps – het wordt heftiger, meer emoties, meer spanning, botsende belangen. Een tweede verhaallijn komt met kracht naar voren en de gemeenschappelijke noemer van die verhalen?  Narigheid.
Iedereen in deze soap heeft zijn eigen verhaal, dit is het mijne.

 

Niets vermoedend beginnen we aan de dag.  Joppe is gekalmeerd, slaapt lekker uit en ik ga een paar uurtjes werken. Ook Paul is naar zijn werk. Vandaag is er aan het begin van de avond weer een maatschapoverleg . Ik hoop en verwacht dat het wel goed zal gaan.  Paul zal wel laat thuis zijn. Kalm verloopt de middag totdat aan het eind daarvan de telefoon rinkelt. De vader van Joppe’s ex-lief. Hij wil graag toch nog even komen praten. Oké, natuurlijk. En al snel zitten we daar: Joppe en ik, ex-vriendin en haar pappa die vlot het woord neemt. Zij en Joppe zitten er stilletjes bij. Ik laat hem uitpraten en begin dan een groot offensief of eerder een flinke partij paniekvoetbal.
Ex-lief heeft het niet durven zeggen, zegt vader, maar eigenlijk is ze erg bang dat ze naar huis gaat verlangen, weet ze wel zeker dat drie weken met ons op vakantie te veel is, ze zal echt heimwee krijgen, daarvan is ze overtuigd. Maar ze is bang om het te zeggen. Geen beweging, geen blik, geen woord van haar, ze zit er met neergeslagen ogen bij. Joppe incasseert en mijn brein draait op volle toeren. Het mág niet gebeuren. Joppe, mijn zieke zoon, zijn vakantie – zijn mogelijk laatste vakantie – in het water laten vallen? Nee, dat zal, dat kan, dat mág niet gebeuren. En dus begin ik te polderen, we kunnen toch zeker wel een compromis vinden? Dat ze een deel van de vakantie met ons mee gaat en dan weer terug naar huis gaat? Daar zijn toch mogelijkheden? Als Joppe haar direct vraagt of ze dan eerder niet eerlijk is geweest tegen hem toen ze steeds zei dat ze het fijn vond om samen met hem mee te gaan op vakantie met ons,  opent ex-lief dan toch haar mond. Ze zegt dat ze het op zich best wel leuk vindt om mee te gaan en een week of tien dagen zeker fijn zou vinden. En dan begint het heen en weer gepraat over hoe dan. Elk idee dat ik opper, stuit op een ja-maar van pappa. Hij heeft wel vakantie maar haar ophalen, nee daar kan geen sprake van zijn. We kunnen haar op de trein zetten, stel ik voor, ze kan zonder overstappen zo door naar Brussel waar haar ouders haar kunnen afhalen. Geen optie: zijn mooie meisje alleen in de trein, nee dat laat hij niet gebeuren. Hij moet er niet aan denken wat  voor figuren ze onderweg niet zou kunnen tegenkomen, zo’n mooie meid. Nee, daar kan niets van in komen. Het vliegtuig dan? Nee, nee, en nee. Zelfde verhaal. Ze is een mooie meid, ik sta niet toe dat ze alleen reist. Ja maar, wij brengen haar, zorgen dat ze veilig instapt, jullie halen haar op, wat kan er onderweg gebeuren? Nee.  Nou dan sluiten we een compromis – wij en haar ouders rijden elkaar tegemoet, ontmoeten ergens halverwege. Ook deze mogelijkheid wordt resoluut van de hand gewezen. Mijn paniek groeit. Ik wil koste wat het kost Joppe een fijne en goede vakantie bezorgen. Uiteindelijk zeg ik dat wij haar desnoods helemaal thuis zullen brengen. Nog voel ik de weigerachtigheid, maar ik heb hem nu echt al zijn argumenten, al zijn wapens uit handen geslagen en dus … jawel zo wordt het afgesproken. Zodra zij aangeeft dat ze naar huis wil, dan brengen wij haar thuis en gaan daarna weer terug om onze vakantie voort te zetten. Joppe is opgelucht en blij, ik ben boos, opgefokt en uitgeput. Wat een begin van deze vakantie.
Ex-lief en haar vader zijn weg, mijn gedachten slaan op hol. Wat belachelijk, ze is 17 jaar, niet op haar mondje gevallen en best zelfstandig en eigengereid , zo heb ik haar tenminste  leren kennen, ze gaat en mag ook alleen met de trein naar Nijmegen -   en zo mooi nu ook weer niet. We zetten haar op de trein, geen overstappen, niets. We willen haar terug laten vliegen, stewardessen om haar heen, wat kan er nu eigenlijk gebeuren? Een ongeluk? Jawel, maar dat kan ook als ze hier op de fiets naar een vriendinnetje gaat en dat vindt paps toch ook goed? Nou dan? Van binnen raast er een storm door me heen, maar ik hou me stil, laat Joppe er niets van merken. Probeer opgewekt te zijn over de oplossing die we dan toch hebben kunnen vinden. Joppe is er zichtbaar blij mee,

 

En dan gaat de telefoon weer. Paul, paniek in zijn stem. “Ze willen niet meer verder met me, ze willen het maatschapcontract opzeggen. Ze zeggen dat ik te weinig doe, niet goed communiceer, dat ik ongeoorloofd afwezig ben geweest, dat patiënten ontevreden zijn. Ze hebben een heel kort briefje opgesteld waarin staat dat ik akkoord ga met het verbreken van de maatschap. Of ik dat maar even wil tekenen. Nou, dat dat doe ik in elk geval niet.”
Ik ben verbijsterd. Wat is dit? Hoe kan dit? Dit is niet waar. Niet nu. Ik geloof het eigenlijk niet echt, de soep wordt vast niet zo heet gegeten. Dit kan gewoon niet waar zijn.  “Kom maar eerst eens snel naar huis, dan kunnen we er dan rustig over praten”. En dat doen we als Paul thuis is. Paul vertelt, ik luister, we praten.
Wat waren we blij geweest toen Paul in deze maatschap kon gaan werken een paar jaar geleden. De collega’s leken hartelijk, een praktijk met een goede werksfeer, hoe mooi was dat? Het was hard werken, lange dagen.  Vaak was Paul niet voor 22.00 uur ’s avonds thuis en tegenwoordig zelfs vaak pas rond middernacht. Niet alleen de patiënten houden hem bezig, ook de zorg voor het computersysteem van de praktijk. Moet er aan gesleuteld worden, updates of nieuwe programma’s geïnstalleerd , dan moet dat na sluitingstijd als er niet meer gewerkt hoeft te worden. Het wordt nu eenmaal drukker en drukker in de praktijk, iedereen krijgt in mindere of meerdere mate last van de werkdruk. Daarom is het hele traject gestart om samen de maatschap door te lichten. Waar zitten de problemen echt? Ja, en dat Joppe ziek wordt en  Paul af en toe verstek moet laten gaan om hij bij zijn zoon te kunnen zijn,  dat is toch logisch, dat vonden de anderen toch vanzelfsprekend? De collega’s hebben om het hardst geroepen dat dit uiteraard geen enkel probleem was, dat hij de tijd moest nemen die nodig is.
En dan nu, in eens uit het niets dit. We willen je kwijt. Je bent bij een maatschapoverleg weg gebleven, de inkomsten van de praktijk lopen terug. Is dit Pauls fout? Waar halen ze dat vandaan? En die begeleider, laat hij dit allemaal maar gebeuren? Ja, dat doet hij.
De volgende dag ga ik bellen met een van onze adviseurs. Het is duidelijk: dit mag zo niet, is strijdig met de bepalingen in het maatschapcontract, strijdig met het recht. Uitsluiting heet dat en dat mag nu eenmaal niet. Ondertussen hebben de collega artsen gemeld dat ze weer met Paul willen praten en dit keer met mij erbij. Vandaag nog, vanavond. Waarom? Hopen ze dat ze via mij Paul kunnen verleiden om hun briefje te ondertekenen? Nou als dat zo is … dan kennen ze mij niet. Ik ben werkelijk woedend, razend.  Nog niet eens omdat dit betekent dat Paul opnieuw zonder werk is, nee ik ben vooral witheet over de manier waarop. Ik vind het ronduit onfatsoenlijk om niet te zeggen onbeschoft. De woede brandt als een razend vuur in mijn binnenste. Misschien smeulde het al in mijn buik vanuit de onmacht in de strijd tegen de kanker van Joppe en dan het frustrerende gevecht dat  ik heb moeten voeren om de vakantie van Joppe te redden. Het is nog een veenbrand maar als ik deze mensen zal ontmoeten, dat weet  ik zeker, dan laaien de vlammen op en belanden die zogenaamde collega’s in een ware vuurzee.  Ik weet gewoon dat het gaat gebeuren en ik doe niets om het tegen te houden, wil niets doen om het vuur te blussen, te dempen. Nee … het mag en moet er zijn. Zo voelt het. Zo gebeurt het.
We zitten om de tafel in de personeelsruimte van de praktijk. Ik heb er heel wat keertjes gezeten, een kop koffie en wat babbelen met de assistentes. Het is een vertrouwd plekje maar zo voelt het niet meer. De onafhankelijk gespreksleider aan het hoofd van de tafel. Paul en ik naast elkaar aan een zijde en de andere zijdes voor de drie andere artsen. Eigenlijk van het begin af aan een soort waas voor mijn ogen, oren die wel horen dat er gesproken wordt, maar wat er gezegd wordt dringt nauwelijks door. Wel dat geprobeerd wordt om begrip voor hun situatie en beslissing  te verkrijgen, om recht te praten wat krom is. En juist dat laat het sluimerend vuur in mij oplaaien, een grote ontploffing en de vlammen slaan uit. Ik slinger mijn woorden over tafel.
“Jullie moeten je schamen, heel heel heel diep schamen, onder de grond kruipen van schaamte, zo diep dat jullie in Australië uitkomen. Schamen als arts, als collega, als mens. Zo ga je niet met iemand om, zeker niet met iemand die al zo veel narigheid te verduren heeft. Een arts heeft daar weet van, een collega staat klaar voor een collega, een mens heeft mededogen. Maar nee, een week voor onze vakantie, de laatste die we misschien met Joppe hebben, vinden jullie het nodig om Paul te vertellen dat jullie de maatschap willen opzeggen, om hem te vertellen dat jullie  hem er niet meer bij willen hebben. Dat kan niet wachten tot wij terug zijn van vakantie, zodat we die drie weken tenminste in harmonie met elkaar kunnen beleven. En dan willen jullie hem een één of ander kattebelletje laten tekenen. Denken jullie nu echt dat dit zo maar gaat? Nee, dus.”
 De begeleider probeert me in toom te houden en te overtuigen dat ik ook naar de anderen moet luisteren. Oké, goed ik houd mijn mond, laat hun fraaie bijna zalvende woorden over me heen komen. Eén van hen zegt, en dit hoor ik wel: “Ja, maar dat zou zo oneerlijk zijn. We willen niet dat dit achter zijn rug om blijft spelen, nu we het besloten hebben, willen we het ook eerlijk gelijk zeggen zodat hij weet waaraan hij toe is.” Oeps … nieuwe olie op mijn woede. In al dit vuur heb ik het direct in de gaten: “Nee, dat klinkt nobel, maar daar gaat het niet om, waar het wel om gaat is dat jullie al kunnen beginnen met van alles te regelen tijdens onze vakantie. Maar helaas, die vlieger gaat niet op want dit kattebelletje wat jullie Paul willen laten ondertekenen deugt niet. Jullie zijn bezig met uitsluiting, dat mag niet en dat gaan wij niet zomaar accepteren.  We zullen zonodig een advocaat inschakelen en desnoods wordt het een rechtzaak.” Het is duidelijk, wij zullen op geen enkele manier tot elkaar komen. Het gesprek is afgelopen, Paul verzamelt nog wat van zijn spulletjes en papieren, we gaan naar huis. Nog een paar dagen dan gaan we op vakantie. Paul, Joppe en zijn lief en ik. We gaan er iets moois en iets goeds van maken. Voor Joppe, we gaan er zijn vakantie van maken.

 

Een dag voor vertrek heeft Joppe koorts. Ik neem direct contact op met dokter Visser die hem wil zien want zomaar op vakantie gaan terwijl Joppe koorts heeft dat lijkt hem niet verstandig. En dus gaan we naar de Eerste Hulp. Gelukkig … geen ontstekingen, geen blijk van virussen of bacteriën. Waarschijnlijk wordt de koorts veroorzaakt door de kanker. Met wat paracetamol en als de koorts de volgende dag flink lager is, mogen we vertrekken.
En zo gaan we dan eindelijk die zaterdag vriendinnetje ophalen, auto volladen en op weg via Duitsland en Zwitserland naar Frankrijk.

 

De eerste week gaat goed. Het contact tussen ex-lief en Paul en mij is wat moeizaam maar Joppe en zij lijken het samen prima naar hun zin te hebben.  Ze zonderen zich veel van ons af, dat wel. Maar ach … als ze met elkaar willen praten, samen zijn … prima toch? Het lijkt zelfs zo goed te gaan dat ik hoop krijg dat er van eerder naar huis gaan helemaal niets gaat komen. Ik merk in elk geval niets van wat maar in de verste verte lijkt op heimwee. Mooie dagen brengen we door in de Franse Alpen bij Annecy. De koorts is verdwenen, Joppe lijkt fitter en energieker dan ooit. Wandelen door Geneve, een stevig klim bij Chamonix, hij kan het allemaal zonder enig probleem aan. Dan gaan we door naar Zuid-Frankrijk en daar gaan Joppe en zijn meisje een mooie kanotocht maken op de Tarn, 11 km. Een fluitje van een cent. En parapenten, voor haar de eerste keer, een ervaring waar ze overduidelijk plezier aan beleeft. Joppe heeft al vaker zo’n duosprong gemaakt, de ‘piloot’ weet dat en ziet misschien wel dat Joppe ziek is want hij geeft Joppe een lange en spannender vliegervaring dan gebruikelijk bij de duosprongen. Ik geniet met Joppe mee.
Maar dan, op de eerste avond na deze activiteiten is het afgelopen, ze vindt dat het lang genoeg heeft geduurd, ze wil naar huis.
Op de heenweg, op onze eerste overnachtingscamping hebben we een ontmoeting met mijn broer en zijn gezin. Zij op de terugweg naar huis. Ik praat lang met mijn broer over de wens van de ex van Joppe en haar vader. Mijn broer biedt aan haar desnoods op te komen halen zodat ze onder begeleiding terug naar huis kan vliegen. Maar ook hiervan wil ze – als ik het die avond voorstel – niets weten. Weer voel ik boosheid in me oplaaien, ik houd me in en ga  maar eens lang zitten bellen met mijn broer. En dan nemen Paul en ik resoluut ons besluit. We laten ons niet langer ringeloren. We bellen haar ouders en spreken met hun af dat we haar tot aan Dion terug zullen brengen, we verwachten dat zij haar daar komen ophalen. We spreken een plek en een tijd af waarop we elkaar zullen ontmoeten. Ik heb de routes uitgestippeld, de kilometers geteld, voor beide partijen ongeveer 600 km. Zo kunnen wij ’s avonds weer terug op onze camping zijn en onze vakantie voortzetten en zij hebben hun dochter op een veilige manier terug. Ik ben duidelijk: zo gaat het gebeuren en niet anders. Rond het middaguur gaat het in Dion zoals afgesproken, we komen zowat gelijktijdig aan. Ik stel voor nog even samen wat te eten of een kop koffie te drinken maar daar willen de ouders van ex-lief niets van weten. Haar spullen worden overgeladen, lief kruipt op de achterbank in de auto van haar ouders en daar gaan ze. We kijken ze na, Joppe verwacht dat ze om zal kijken, zal zwaaien, maar dat doet ze niet. Binnen enkele tellen is ze weg. Dan gaan ook wij maar weer op pad, terug naar de camping. Het is stil, heel stil in de auto. Niemand zegt een woord. Zo komen we aan het begin van de avond weer terug op onze stek, net op tijd om op het reataurantterras nog een pizza te eten en dankzij een mislukte countrymuzikant die er tussen bijna  elke zin een uitbundig “IAhhhh, IAhhh”door gooit wordt het toch nog gezellig, we moeten er – ondanks onszelf misschien wel – alle drie om lachten. De rest van de vakantie doen we allemaal ons best het leuk en gezellig te maken. Een bericht tussendoor dat Paul zijn moeder plotseling is overleden doet daar niets aan af. Maar kleine pech blijft ons achtervolgen. We willen met Joppe naar een brandweermuseum. Op internet de openingstijden opgezocht maar als we op de locatie – boven een brandweerkazerne – aankomen blijkt het museum niet meer te bestaan. Ach waarschijnlijk is gewoon vergeten om de website uit de lucht te halen., zegt een brandweerman die toevallig in de kazerne aanwezig is.
Ieder jaar als we in deze streek zijn maken we een prachtige rit met een stoomtrein. Dat wil Joppe ook dit keer wel. Als we bij het stationnetje aankomen is het er verdacht stil. Al snel blijkt dat het treintje door een aardverschuiving langs het spoor  niet kan rijden. Eerst moeten herstelwerkzaamheden uitgevoerd worden. En uiteindelijk als we op de terugweg zijn naar huis krijgen we een lekke band. Na lang wachten bij de garage kunnen we weer op weg. Zo langzaam aan beginnen we te denken dat het enige wat ons nu nog kan gebeuren is dat we thuiskomen en ontdekken dat ons huis is afgebrand, onder water staat of leeggeroofd is. Maar nee,a ls we aan het begin van de nacht eindelijk thuis komen, is alles er in orde en kunnen we eindelijk ons bed in duiken.
Een heel speciale vakantie is voorbij.

November 2009

In september heb ik mijn vrienden van het forum Mission4Today een bericht gestuurd. Eerder al had ik laten weten dat ik ziek was. Ik kreeg erg veel echt hartelijke reacties. Die deden me heel erg goed en daarom, denk ik, wilde ik ze ook nu laten weten hoe het ervoor stond.  Daarom  het bericht.

 

 

 

Post subject: I have cancer.
Posted: Tue Sep 22, 2009 11:40 PM

Hello everyone,

To those that don't know me (that well), let me introduce myself.
My name is Joppe, I live in Kessel, in the south of the Netherlands.
I'm 17 years old.

On the 22nd of may, 2008, I was diagnosed with Non-Hotchkin, a form of cancer.

Despite all the efforts by the doctors, treatment has not cured the disease. In june this year, the doctor had to tell me he was going to stop the treatment, as it didn't work. I now only get some experimental stuff to give me more time, and make me more comfortable.

At some point, however, I will no longer be around. My dad will then inform Gamekeeper, I guess he will tell you all.
Until that time, I hope to be able to update my Battle over Holland campaign pack, when 4.09 finely comes out. Furthermore, I make a little something out of everyday, or at least, I try to. I still go to school, as I guess it's better to be among friends then to be all alone watching tv or something,..

I informed Gamekeeper two days ago, and I waited with this post so he had the time to tell (some) other admins.

I just wanted to tell you guys. This is a realy cool site, and it always feels a little bit like family here, I know it sounds strange of an internet site, but it's true, so I figured you all should know.

I'll see you all around on the forums, hopefully for a long time still.
I will not surrender to this disease!
Moriturus te Salutat!


Cheers,
Joppe

 

Natuurlijk kreeg ik ook hierop weer heel veel reacties. Ze deden me heel erg goed. Daar - over de hele wereld verspreid zijn er mensen die weet hebben van mij en van mijn ziek zijn en dood gaan. Over de hele wereld zijn er mensen die het oprecht erg vinden dat ik zo jong al moet sterven. Raar maar waar, dat voelt goed. Op advies van een forumgenoot uit Engeland heb ik met pap en mam Duxford en Cambridge kunnen bezoeken, heb ik gelogeerd in een typische Engelse Inn. Als ik zou blijven leven en geschiedenis studeren dan zou ik later in Engeland willen wonen en leven, dat weet ik zeker. Mijn seizoen begint dan ook met een verslagje op het forum van onze Engelandreis.

 

Sun Nov 01, 2009 07:14 AM

Hi all, I've gotten back from England today!

Well, we went last Monday, took the Ferry from Hoek van Holland to Harwich. Loved the food on the boat!

Then on to St. Ives. I was sitting next to dad, helping him and our TomTom navigate and pay attention to driving left and all, super cool!

The our inn, the Old Ferry Boat Inn in Holywood, St. Ives. A very nice Inn, in and 18th century building, very nice! Our rooms were a bit small, but very, very nice! I really loved it there!

Next day, we went to Duxford. We didn't have time to view everything. We missed hangar 5, the control room and the Air Space. However, I did see two B-17's, a B-29, and lots of other aircraft, very cool!

Day after that, we went to Cambridge. We went on a pond tour over the river, and that was very nice. All these buildings and bridges!

Next day, we were going to London, but with our experience with Cambridge (to much to see, bit to busy for us), dad had another idea, so we went back to Duxford, visiting the places we had missed before. We were on the parking space, eating and drinking something before moving on, and then all the sudden I heard a chopper. An AH-64 Longbow showed up, apparently training it's landing there. Very nice show! After that we visited an village in the area, very English, and very nice.

My parents aren't the youngest anymore, and they take a lot of time taking pictures of places, because they otherwise can't remember what they had seen, and because London is very busy, and there is even more to see then in Cambridge, we didn't bother. Perhaps another time, but then just London for instance.

Our last day we drove up north-east. By accident we passed the Dessert Rats memorial, and a very large RAF base, which seemed to house an American fighter wing. 48th or something if I remember? I can't remember the name of the base, but at gate one was a F-100 super saber, and in the distance I think I saw an F-15.

We went up north to Aylsham, where there was a small track steam engine running, and we did that. Very nice tour really! As it was close to Halloween, they had children do some spotting of Halloween images along the track.

Then we drove south, direction Harwich. We ate at the pier in Great Yarmouth (sorry BTW if I misspelled anything). Driving on, we took the night ferry, ate there again (my 3th hot meal that day, I have medicine that makes me very, very hungry, which is good, as I was close to being to light). Sleeping at the Ferry was very comfortable, and at 10.15 this morning we were back home!

Now, I do have to confess something. I am absolutely in love with England! Seeing the landscape, I could completely understand why the British have for 1000s of years fought for their freedom and defended their island. I could just picture seeing Spitfires and Lancasters and B-17's flying to and from their targets, and I could imagine, again just by looking at the hills around Duxford, how re-ensuring it must have been for a crew to see England after a mission over the continent.

Besides with the landscape, I have also fallen in love with the people and the food! Dutchmen in general are known to be a bit rude at times, and it was heartwarming how welcoming everyone was. First morning, me and my mum went out for a short walk around the Inn. Everyone we met greeted us with good morning. Not happening where I live! And in restaurants, and in the Inn, strangers just making friendly conversations with us! Again not something that happens to me that often here in the Netherlands.

Then the food. 'Real English Breakfast'; grilled mushrooms, backed tomato or something like that, bacon, toast, egg, beans in tomato sauce, sausage. So nice! Or the Scotish Salmon! In the end I just asked for a combination of both at breakfast, it tasted so good!

In Huntingdon, we found a Pizzaria, Pizza Express, where we had very good Pizza's and as an entry some very nice bread with some sort of cheese melted over it.

Also, you British do really know how to make some nice hot chocolate!

Thanks to everyone here who advised me, I had the best vacation ever, in combination with my trip to Rome 3 weeks ago.

Thank you very much everyone!

I will later upload some pic's from Duxford of course.

Cheers,
Joppe

_________________

Jolly good show!

 

Hét seizoen wordt dit jaar helemaal MIJN seizoen en begint dit jaar vroeger dan anders. Want normaal gesproken begint het met Sint Maarten, maar nu is de aftrap al op 1 november. Ik ben vroeg wakker en heb daarom nog tijd voor mijn verslag voor het forum. Vandaag is mijn Wensdag van Stichting Doe een Wens. Wat zal er gaan gebeuren? Ik ben heel benieuwd. Eigenlijk ben ik best een beetje opgewonden want wat zal ik mee gaan maken? Ik hoop dat ik parachute mag springen uit een vliegtuig. Dat lijkt me echt te gek. Die wensdag die heb ik aan mijn buurmeisjes en hun ouders te danken, zij hebben de Stichting gevraagd om iets voor mij te doen. Tof en geweldig lief. Twee dames zijn eerst bij ons thuis geweest om te praten of liever gezegd om mij uit te horen over mijn hobby’s, mijn vrienden, wat ik leuk vind en of ik lievelingseten heb, wat ik het liefst zou willen doen. Zij nemen ons vandaag mee op pad en we moeten al vroeg klaar staan om opgehaald te worden.
Het wordt een dag om nooit te vergeten, wat ik die dag vergeet is dat ik ziek ben, dat ik dood ga  en ook dat mijn lief niet meer mijn lief is. We worden opgehaald door zo’n ouderwetse Citroën – een strijkijzer noemen ze zo’n wagen. Ik mag naast de chauffeur zitten, pap en mam achterin en de dames van de Stichting in een volgauto. Die chauffeur, Hans – hoe hebben ze hem gevonden – zijn vader was vroeger piloot en heeft in de 2e WO nog vanuit Australië meegedaan aan aanvallen op Japan. Gespreksstof genoeg. Ondertussen rijden we richting Eindhoven dus ik verheug me al. Bij Eindhoven ligt een vliegveld … dat wordt springen! Maar we rijden er voorbij, het begint erop te lijken dat we naar de Efteling gaan, in elk geval volgen we de richtingsborden daar naar toe. Maar dat kan toch niet, dat past toch niet, hoe komen ze erbij? We rijden een of ander dorpje binnen, een woonwijk, we stoppen. Wat moeten we hier? Ik mocht een rondrit maken “door de bossen en de modder, met een Willy’s jeep, een GMC 2,5 tonner en een Dodge WC-51 jeep. In de Dodge mocht ik ook zelf rijden. Het was m’n eerste keer achter het stuur. Dubbel clutch, 4-wiel aandrijving, niet makkelijk. Geen wonder dat ik bij het manoeuvreren in de greppel tegen een boom botste. Gelukkig was niemand gewond, behalve de boom. Ook de Dodge had vrijwel geen schade. Gelukkig. Toen door naar Lelystad. Aviodome.” Daar zou ik mogen gaan vliegen met een D51-D mustang. Een prachtig mooi toestel uit de Tweede wereldoorlog. Een ander vliegtuig zou mee vliegen om foto’s te maken. En daarna zou ik met één van de mannen die me hadden verwelkomd op het Aviodome naar teugen vliegen om daar een parachutesprong – een duosprong natuurlijk – te maken. Maar van dit alles kwam niets terecht, het weer was veel te slecht. Maar leuk was de middag toch met een privé rondleiding door het museum, ook op plekken waar het publiek niet mag komen. Francis en Luc konden zo prachtig vertellen. En ik mocht de motoren starten van het vliegtuig van Luc waaruit ik dus zou hebben gesprongen als het weer maar beter was geweest. Ik krijg een eerste exemplaar van een prachtig boek over de Nederlandse vliegvelden tijdens de Tweede Wereldoorlog en dan gaan we weer richting huis. We raken verzeild in allerlei files zodat we uiteindelijk twee uur te laat aankomen in Beringe waar we als afsluiting nog een hapje zullen gaan eten. “In het restaurant wachtte opa l op ons. Toen kwam van achter een gordijn mijn ex-lief te voorschijn. Of ik kwam sjoelen. Ik liep mee, achter het gordijn. Daar achter was een oude speelhal met sjoelen en poolen, oude Hollandse spellen. Achteraan nog een gordijn. Dat barste ineens open. Ik hoorde ‘verrassing’ roepen en toen stormde een groot deel van mijn vrienden op me af, me een groepshug gevend. Tegen 15 man was ik niet bestand. Ik viel achterover. Daarna eten en spellen spelen. Nooit was het zo gezellig. Niet vaak was ik zo gelukkig als die avond. De terugslag kwam de dag erna, toen mijn ex-lief me vertelde dat ze zaterdags met een jongen had gekust. Ik ben blijkbaar nog steeds verliefd.
De maandag daarop heb ik gevlogen in de P-51. Zo mooi, ondanks het weer. De wereld letterlijk op z’n kop bekeken. Machtig mooi gevoel.” Ik heb hierover een verslag geschreven voor mijn forumvrienden Mission4Today, dat vond ik gewoon leuk om te doen. Van hun weet ik tenminste zeker dat ze zoiets ook heel bijzonder vinden.

 

I flew a P51 Mustang today!!


Hi all! I got to fly in a P-51D Mustang today! My neighbors sighned me up for 'Do a wish'. It's an organisation that gives people who are lifetreathening ill a day on which they can have their wish. I believe they do so for people under 18, but not sure. Anyway, last week Sunday it was my day. We first went somewhere where they had a Jeep, Dodge, and GMC ready for a tour through the forest. I even got to drive the Dodge myself! Parked it a little to close to a tree at the side of the road dough,.. First time ever I drove, and they didn't tell me where the break was :oops: Still, no real damage, happily. After that we went to Aviodome, at Lelystad. I was supposed to go up flying there, and then I would parachute out. (That was my actual wish, parachuting out of a vintage aircraft). They told me weather was to bad. I already expected that. They also told me it had been in the planning to get me a ride in a P-51! Well, they told me they'd do that some other day. The pilot of the Broussard, the plane I was to jump out of, and his mate then gave me a tour around the museum, even behind the screens! I had the best time ever, with all the stories they could tell me! We then drove back south to a village close to where I live. In a little restaurant, I was literally overthrown by my friends who surprised me there with a group hug. We then had dinner, and played pool and other games. One of my best days ever. Still, also things to look forward to. Today was the day. We again went to Lelystad. There I had a look around a hangar, and then we went onto the platform. We walked around the P-51, Damn Yankee, and then the crew chief let me sit in the front cockpit! I could have been sitting there all day! So beautiful! The wooden floor, the stick, the throttle, it was all there!

We then went for a drink, and then it all went fast. I was strapped down in the back of the P-51, where normally there would be the radio and a fuel tank. Pilot started the engine. I could hardly breathe from the prop wash. Canopy shut down, we taxied away. At the side of the runway, we waited for a few minutes for the engine to get warm.

Take off was great, and very smoothly. Up we went, rather steep climb. Clouds were low, but we got above a first layer of cumulus, and had plenty of space to play around. Some turns, climbs and descends were very cool. Then we made a right turn, and we turned, and turned,.. and upside down we were! A bloody roll!!! Great! We turned around some more and made some more rolls. Then we flew back to the airfield. Circled around, then all the sudden we dove down! That also was a great thrill! We made a flyby low over the runway, waving at mum and dad and my friends from Aviodome. We climbed up again, making another roll.

Then we went into landing approach. Touch down was very smoothly. It was over very fast, but that's always the case when one has a jolly good time right?! Wow what a day... It was so special. After flight we took a look at two other P-51's, one who was testing it's engine. Also saw a Fokker D-VII in Dutch colors, and some YAK trainers, one of them flying. I still have to jump out of an aircraft, weather was to bad for that, I just flew at the right moment. Here are some pic's. I'm the lad with the biggest smile, of cource :lol: Cheers all, Joppe

 

Het was een mooi begin van mijn seizoen, maar echt nog maar het begin. Mijn laatste seizoen wordt een heus topseizoen, nou ja, heb ik ook wel verdiend. Toch? Je zal maar zeventien zijn en kanker hebben, weten dat je dood gaat.

 

 

30 april 2009

Eergisteren – dinsdag – hebben zijn vriendinnetje en ik  Joppe naar het ziekenhuis in Nijmegen gebracht.  Nu duidelijk is dat de kanker nog niet overwonnen is en groeit en zich een weg wil vreten in zijn lijf, moet er snel gehandeld worden. De vijand moet verslagen voor hij op krachten komen kan.  Zo voelt het voor mij. Als we maar snel zijn dan gaat het vast en zeker lukken. Het is allemaal niet fijn, zeker niet, maar we gaan er voor. Ik blijf optimistisch. Dat is het enige wat ik Joppe te bieden heb, mijn optimisme, mijn geloof in een goede afloop.
De kennismaking op de afdeling hematologie is hartelijk en vol grapjes en kwinkslagen. We krijgen instructies want hematologie is geen gewone afdeling, hier zijn veel patiënten met een minimale weerstand en dat vraagt om bijzondere maatregelen.  Om op de kamer te komen moeten we door een soort sluisruimte. Hier moeten sierraden achtergelaten worden en handen gedesinfecteerd. Pas dan mogen we verder de kamer op. Uiteraard zijn bloemen en vers fruit niet toegestaan. De zorg op deze afdeling is intensief. Een vaste verpleegkundige per kamer. Dat is wel heel plezierig.
Joppe zal de komende dagen zijn  kamer delen met een meneer van rond de veertig van Spaanse komaf. Een hartelijke man die al een beenmergtransplantatie achter de rug heeft. Hij is kwetsbaar nu, vatbaar voor infecties. De Spanjaard  leidt aan de ziekte van Kahler, een kanker van cellen in het beenmerg die afweerstoffen produceren. Als deze cellen gaan woekeren wordt het gezonde beenmerg aangetast, zo wordt het lichaam als het ware van binnen uit afgebroken. Geen rooskleurig vooruitzicht maar hij blijft optimistisch en vrolijk. Omdat hij eigenlijk totaal geen weerstand meer heeft krijgt hij speciale voeding die met een slang rechtstreeks de maag in gaat. Het lijkt wel een soort gips en het ruikt, geen lekkere etenslucht, nee helaas een onaangename geur. Maar als je langer in de kamer bent, dan went het – gelukkig.
De Spanjaard is een liefhebber van voetbal en dat is nou jammer … Joppe niet.  Toch ontstaat er wel een hartelijk contact tussen die twee en daar zijn Paul en ik blij om. Het zal het verblijf voor Joppe iets dragelijker maken. Daarbij doen wij ons best  om de opname en kuren tot een gedeeld en gezamenlijk gedragen gebeuren te maken. We mogen niet bij Joppe blijven slapen en Paul moet werken. Ik ga ’s morgens zo snel mogelijk naar Nijmegen om bij Joppe te zijn, Paul komt zodra hij klaar is met zijn werk. En we hebben een klein gelukje: de tweede opnamedag is Koninginnedag – een vrije dag – en dus een dag dat we allebei de hele dag bij Joppe kunnen zijn. Als we in de ochtend naar Nijmegen  gaan is het stil op de weg. We denken de dag door te gaan brengen met TV kijken naar de Koningin en de prinsen en prinsessen die een volksdansje doen, een liedje aanhoren, handjes schudden en mee doen aan weer een bijzondere sportieve activiteit zoals een wedstrijdje touwtrekken of een kussengevecht op de balk. En er dan samen grapjes over maken, commentaar leveren en er zo wat plezier aan te beleven. Dat verwachten we, we hebben even geen radio aan onderweg. Als we  de kamer op komen zijn we – gespeeld – verbaasd dat de TV nog niet aan staat. “Moet er niet naar Koninginnedag gekeken worden, leuk naar zwaaiende prinsen en prinsessen kijken?” Maar de verpleegkundige die er net is om weer wat aan het infuus te prutsen vraagt ons of we het nog niet weten? Het wat? Nou dat er een soort aanslag is gepleegd. Dat er een auto door de afzettingen is heen gereden, dat er gewonden en doden zijn. Nee, dat weten we niet, Joppe en de Spanjaard ook niet, ze zijn nog te veel met zichzelf bezig. Maar nu verandert dat. Het is cynisch maar de narigheid op TV leidt de aandacht af van de eigen ellende. We zien die zwarte auto wel honderd keer tegen de Naald aan rijden, we zien keer op keer hoe Maxima van schrik een hand voor haar mond houdt. De dag gaat op die manier vlot voorbij.  Op vrijdag 1 mei mag Joppe weer naar huis. De eerste ronde chemo zit er op. En ook nu weer is Joppe er relatief goed aan, wel wat bijkomen maar dan opnieuw het gewone leven in.

 

Eigenlijk hebben hij en zijn lief dit weekeinde een tripje naar Rotterdam gepland, Joppe wil het gewoon door laten gaan maar dat vind ik niet goed. Eerst bijkomen en uitsrusten. Dat wordt me niet in dank afgenomen, hij had zich er zo op verheugd. Maar gelukkig, zijn lief is het met me eens, want ja, stel je voor dat ze daar ergens in Rotterdam rondlopen en Joppe kan het onverwacht toch niet bolwerken, wat dan? Hij ziet dit ook wel in en enigszins mokkend stemt hij in met uitstel van een week, maar we moeten wel wat leuks gaan doen en daarom gaan we   zaterdag naar het vliegveld van Budel, gewoon omdat het lekker weer is, om er even uit te zijn, wat vliegtuigjes zien landen en opstijgen, een ijs eten. En aansluitend een pannenkoek in Thorn. En dan weer naar school, alles normaal. Brengen en halen met de auto, dat wel. Een week later is Joppe voldoende op krachten gekomen om samen met zijn vriendin het geplande treinreisje naar Rotterdam te maken. Zij een leuke dag, wij een leuke dag want wij gaan op pad met de harmonie van Paul, naar Luxemburg om een concert te geven en met in de middag voldoende tijd om rond te kijken.  We knippen foto’s, pakken een terrasje, net als iedereen die wil genieten van het mooie weer.  Ja, soms zou je kunnen denken dat er helemaal niets aan de hand is.
Rotterdam wordt een geweldig succes. Samen wandelen de twee gelieven  door de stad, maken ze een rondvaart door de haven van Rotterdam. Ze maken veel foto’s in de stad en de haven  maar ook in zo’n fotohokje op het station – lekker gekke bekken trekken. Op de terugweg stappen ze ook nog eens uit in Utrecht om – nu ze er toch zijn – ook daar maar eens rond te kijken.

 

Natuurlijk moet Joppe ook poliklinisch op controle komen in Nijmegen maar verder bestaat het leven voor Joppe uit school en voor Paul werken,voor mij trouwens ook met daarbij allerlei huishoudelijke klussen, want dat moet door gaan. En dan ook nog het sollicitatiegesprek voor mijn plekje straks in de nieuwe fusiegemeente Peel en Maas. Iedere medewerker heeft met motivatie moeten aangeven welk functie hij of zij graag wil hebben, er is een Sociaal Statuut waarin precies staat hoe één en ander zal moeten verlopen. Iedereen krijgt een plekje, dat is zeker en ook “mens volgt werk”, dus echt er is geen reden om bang te zijn dat je in eens heel ander werk krijgt of terug gezet wordt in functie. Dat ben ik dan ook niet, maar het kost wel energie – veel energie- die ik eigenlijk niet heb. Maar het moet. Ik heb gesolliciteerd op een plekje bij communicatie, want daarmee houd ik me nu ook al bezig, alleen dan bij de afdeling welzijn en voor het project “tijdelijke huisvesting”.  Dat is veel werk maar ik krijg veel waardering . Daar ben ik natuurlijk blij mee én het geeft me de overtuiging dat alles wel goed zal komen. Als dan Joppe ook nog beter wordt, dan ziet de toekomst er mooi uit.
Maar nee, zo gaat het niet. De plaatsingscommissie vindt dat ik maar administratief ondersteuner van de afdeling welzijn moet worden, niets mens volgt werk. Mijn functie was medewerker welzijn en wordt medewerker welzijn. Ik ben woedend,  dit kan ik er nog wel bij hebben! Een week later volgt een kleine bijstelling maar nog steeds heb ik niet de functie die ik wil en dat betekent dat ik een brief zal moeten schrijven aan de bedenkingencommissie. Jawel, hier zit ik echt op te wachten, nu. Maar alweer … het moet. Zoals alles in deze periode moet. Er is geen tijd voor wensen of willen, het is een tijd van schikken en plooien, van aanpassen aan wat moet en het hoofd boven water houden, van zelf niet ziek worden want een hernieuwde uitbraak van de colitis kan ik niet gebruiken.

 

Begin juni wordt Joppe opgenomen voor de tweede ronde chemo. Toevallig is er ook een leeftijdgenoot van Joppe op de afdeling. De verpleegkundigen hebben bedacht dat het wel heel leuk is om twee jongens van dezelfde leeftijd op één kamer onder te brengen en zo komt Joppe terecht bij een knul die leukemie heeft. Hij heeft echt een heel andere mentale instelling dan Joppe. Het klikt niet tussen die twee en het zal niet gaan klikken. In tegendeel. Het is nog een geluk dat Joppe bij het raam komt te liggen. Zijn kamergenoot heeft net als Joppe dagelijks gezelschap. Moeder, die weduwe is, en zijn vriendin zijn er vrijwel de hele dag voor hem. Hij is verwend en niet zo’n beetje ook. Daar heeft iedereen last van, moeder, vriendin, verpleging  en wij net zo goed. Hij zeurt, hij is kleinzerig en vraagt voortdurend alle aandacht. Het ene moment foetert hij op moeders en vriendin, niets doen ze goed. Het andere moment ligt hij te jammeren dat hij niet zo vervelend wil zijn maar er niets aan kan doen. Ze slikken alles. Hij heeft ook altijd last van het licht en dus moet het gordijn tussen zijn bed en dat van Joppe dicht zodat hij afgeschermd is van het daglicht. Als een verpleegkundige de kamer op komt, schuift die steeds het gordijn open, maar als de hielen gelicht zijn is de eerste opdracht aan zijn vrouwen om het gordijn weer dicht te doen. In het begin vonden Joppe en ik dat vervelend, het maakt de overzienbare ruimte voor Joppe zo klein maar na verloop van tijd zijn we er blij mee. Achter het gordijn kunnen we – in stilte - de gek steken met dat jong.  Grimassen maken, zonder geluid AU AU roepen wanneer hij weer moord en brand schreeuwt als hij een simpel spuitje krijgt. Eigenlijk wil hij er verdoving voor, maart daar trapt de verpleging niet in. We horen dat hij alle kans heeft om te genezen. Joppe moet nog maar afwachten.
Tijdens deze opnameperiode mag  Joppe samen met mij een kijkje nemen op de zaal waar stamcellen worden afgenomen, dat we kunnen zien hoe dat gaat. We praten er met een man die stamcellen afstaat voor z’n zieke broer. Voor Joppe kunnen zijn eigen stamcellen afgenomen worden om later weer toe te dienen – een gelukje.
Weer thuis pakken we als vanouds het patroon van het alledaagse leven weer op. Een week later moet Joppe op controle komen en  wordt er een CT-scan gemaakt om te kunnen zien hoe de kuren aan slaan. Ik heb er alle vertrouwen in .  Joppe voelt zich – ondanks de chemo – best wel goed. Het móet goed zitten. Natuurlijk zit het goed. Het is vervelend zeker, vooral die periode van de stamceltransplantatie. Dan moet hij lang in het ziekenhuis blijven en is hij kwetsbaar, maar ook  is hij dan daarna genezen. Dat is wat ik wil denken en geloven.

 

Het weekeinde voor de derde en laatste kuur voorafgaand aan  de grote transplantatie gaan we met Joppe en zijn vriendin op stap. De slag bij Waterloo wordt groots nagespeeld. Ik heb kaartjes voor ons op de tribune, midden voor het slagveld. We zullen meemaken hoe Napoleon ten onder gaat. Er gebeurt veel maar wat we nu eigenlijk zien? Manschappen met musketten en sabels staan tot hun romp in het graanveld, paarden tot hun buik. Er is veel heen en weer gedoe van manschappen in strakke formaties en ruiters die op de tegenstanders af galopperen. Maar wat er nu eigenlijk gebeurd, wie aan de winnende hand is en is die ene ruiter met z’n steek dwars op het hoofd nou Napoleon? Echt,  ik weet het niet. In het begin van de veldslag is er nog een waterig zonnetje maar later komt de regen met bakken uit de lucht en toch is het een leuk en gezellig uitje wat we natuurlijk afsluiten met pannenkoeken eten in Thorn. Aan niets is te merken dat Joppe ziek is of dat hij last heeft van de gevolgen van de chemokuren. Terwijl we toch uren op die ongemakkelijke houten bankjes zitten, in de regen, koud.

 

Drie dagen later gaat Joppe gelaten weer naar het ziekenhuis voor de derde ronde chemo. Dit keer krijgt hij een kamer alleen. De eerste twee dagen verlopen rustig en kalmpjes. Ik kijk vol verwachting uit naar de uitslag van de CT-scan die we één dezer dagen zullen krijgen, ik heb wel vertrouwen maar wil toch heel graag horen dat het goed zit, dat de kanker alweer heel erg is terug gedrongen. Dat de stamceltransplantatie Joppe gaat genezen. En dan, op een heel rustige bijna slaperige middag stapt de zaalarts binnen, een jonge knul die vraagt of Paul vandaag nog komt. Ja, maar pas ’s avonds  als hij uitgewerkt is. “Oh, zo, ja de specialist wil met jullie spreken over de uitslag van de scan.”  “Hoezo, waarom dan, is er iets bijzonders, is er iets niet goed?” Er komt een ontwijkend antwoord, dat hij het niet mag en kan vertellen, dat de specialist dat zelf  doet. Hij krijgt het met zijn gestuntel voor elkaar dat alle alarmbellen gaan rinkelen. De middagrust bleek stilte voor de storm. Nadat de zaalarts vertrokken is belt Joppe om een verpleegkundige die we vertellen van onze onrust en angst, dat we zo niet nog een dag willen wachten, we hebben het niet meer van de spanning, van de angst. Maar ook de verpleegkundige kan en mag niets zeggen. Ook hij laat ons weer alleen met onze paniek, maar gelukkig hij onderneemt wel actie want even later komt hij terug om te zeggen dat de specialist toch nog deze middag, binnen een half uurtje, langs zal komen. Traag gaan de minuten voorbij, ik wil bewegen, ik wil schreeuwen, schoppen tegen stoelpoten … van alles om dat akelige gevoel van angst en onrust maar kwijt te raken. Ook Joppe is over zijn toeren maar we kunnen elkaar niet helpen. Nu niet. En dus lijkt het net of de rust terug keert. Joppe in zijn bed ogenschijnlijk kalm, ik op mijn stoel.

Als de specialist eindelijk binnen komt voel ik bijna opluchting, de ondragelijke spanning is voorbij, we gaan het horen. Hij geeft een hand, gaat zitten en vertelt waar we bang voor zijn. De kanker is niet minder geworden, nee ondanks de chemo is de kanker gegroeid en heeft zich weer verspreid. Er is niets meer aan te doen. Een stamceltransplantatie is zo niet mogelijk, Joppe gaat dood. Hoe lang nog … weken, maanden, een half jaar, hij weet het niet alleen dat Joppe dood gaat, dat weet hij zeker. En nee, er zijn nergens op de wereld ziekenhuizen die bezig zijn met experimentele behandelingen die Joppe misschien nog een kans zouden kunnen geven. Uitgerekend op het gebied van Non-Hodgkin komt men van overal naar dit ziekenhuis vanwege de expertise die hier is. Joppe is op de beste plek. Als er ergens een kans was, dan zou hij die zeker met ons delen en ons helpen om die te grijpen, maar er is geen kans, geen mogelijkheid hoe klein ook. En dan is hij weer weg. Joppe en ik blijven ontredderd achter. 

 

In de actiestand:

 Joppe belt Paul, zegt dat hij direct moet komen. NU, dat het niet wachten kan. En dat doet Paul, begrijpt dat er iets goed mis is, laat zijn werk uit z’n handen vallen en komt naar Nijmegen, binnen een uur is hij bij ons om het ellendige nieuws te horen. De rest van de middag en de avond brengen we in verslagenheid met elkaar door. We mogen niet blijven slapen, moeten Joppe wel voor de nacht alleen laten maar de volgende dag zijn we zo snel we kunnen weer bij hem terug. En dan blijkt dat de nacht de hevigheid van de storm tot bedaren heeft gebracht.

 

Hij moet het zijn vrienden vertellen.  Apart en zelf, niet dat ze het in de klas, samen met de andere leerlingen, van de mentor moeten horen. Dus het moet snel en bij ons thuis. Dit komend weekeinde. Allereerst belt Joppe de counselor van school en vraagt hem naar Nijmegen te komen, met de adressenlijst en telefoonnummers van de leerlingen, want vanuit die gegevens kan hij zijn vrienden bellen om te vragen of ze komen. 
We zijn bezig met praktische zaken. De buren vieren het komend weekeinde op zondag hun 25-jarig huwelijksfeest, daarvoor staat een partytent  in de tuin. Als Joppe zijn vrienden nu op zaterdag uitnodigt dan mag hij van die tent gebruik maken. Verder is er al drank en hoef ik alleen maar te zorgen voor een paar zakken chips en nog wat van dat gerei.
De couselor komt ergens in de loop van de middag, Paul en ik trekken ons terug. We willen Joppe de ruimte geven om vrij met zijn couselor te praten, zonder ons als toehoorders of meepraters. Ze spreken lang met elkaar en na afloop kan Joppe gaan bellen, hij heeft namen en telefoonnummers. Joppe belt en vraagt de een na de ander om zaterdag t komen, hij zegt niet waarom en toch bijna allemaal zeggen ze ja, dat ze er zullen zijn.
Zaterdagochtend wordt Joppe los gelaten uit het ziekenhuis, aan het begin van de avond komen zijn vrienden. Er hangen vlaggetjes over de entree van de tuin, voor het feest van de buren.  De vrienden druppelen groepsgewijs binnen, het is een gezellig geroezemoes in de tent. Er worden drankjes ingeschonken en schalen met chips op de tafel gezet. Ik zit vlakbij maar op afstand in de tuin aanwezig te zijn om in en bij te springen als dat nodig mocht zijn en uit nieuwsgierigheid om te kunnen zien en horen wat er daar gebeurt.  Als iedereen er is en de eerste drukte voorbij is, staat Joppe op – zijn vriendin naast hem – en vraagt aandacht. Het wordt muisstil in de tent, in de tuin hoor ik een enkele vogel fluiten, binnen zie ik Joppe praten. Rustig en kalm. En als hij klaar is blijft het stil, hoor ik de vogel nog nadrukkelijker in de stilte van de beginnende avond. In de tent vloeien inmiddels tranen, worden armen om elkaar heen geslagen, sommigen lopen naar buiten, gaan met twee of drie even ergens anders zitten, voorover gebogen en in elkaar gekropen, fluisteren zacht met elkaar. Anderen blijven met kluitjes in de tent hangen, praten met elkaar en met Joppe en zijn vriendin. Zij twee zijn er voor die anderen, om hun vragen te beantwoorden, om hun te troosten. Het lijkt erop dat Joppe zich goed voelt in die rol.
Heel geleidelijk aan wordt de sfeer weer wat levendiger, hier en daar een lachje. Er wordt gelopen en zelfs weer gekkigheid gemaakt. Paul maakt een mooie groepsfoto.    Iedereen poseert van harte en met veel plezier mee.  Een vrolijke groep jongelui onder een lint van feestelijke vlaggetjes. Een foto die niets vertelt over de aanleiding van het daar op die avond bij elkaar zijn. Gewoon een groep jongelui op weg naar volwassenheid. Een gezellige avond.

2 september 2009

“Wanneer ik sterf. Niet als, maar wanneer dan wil ik dat iemand me in z’n/haar armen heeft. Het liefst op school, in de frontlinie zogezegd.  Laat dan een van m’n vrienden me in haar armen houden. De rest om me heen, zodat ik afscheid kan nemen.  Sterven schijnt een koude aangelegenheid te zijn, daarom is het juist op dat moment voor mij heel belangrijk dat iemand me opraapt, me warm houdt in m’n laatste ogenblikken. Alleen dán zal ik kunnen zeggen dat ik werkelijk niet alleen was toen ik stierf. Een hoop eisen hè? Iedereen heeft toekomstdromen en wensen. Nu al heeft de dood me mijn dromen van vrouw en kind, huisje boompje beestje zogezegd ontnomen. En ik ben nog niet eens koud!

In deze lijkt het me, dat daar m’n toekomst is. Ik kan nu dromen, denken over het moment van sterven. Zeker zou ik er alles voor geven te mogen blijven leven. Helaas is dit niet mogelijk.  Dan maar zo. Wanneer men het leven niet naar de droom kan zetten, moet het maar andersom. Want zonder dromen en wensen stelt het leven en daarmee de mens niets voor. Dan zijn we slechts een omhulsel van huid gevuld met vrachten lucht. Mij niet gezien. Ik wilde altijd vrouw en kinderen.  Daarin, in hun warmte, zag ik mijn geluk. Die warmte kan slechts benaderd worden door me niet op de grond te laten liggen als ik ga, maar me op te rapen. En druk me dan tegen de boezem. Dicht bij het hart en symbool voor moederlijke warmte, zorg en liefde. Ik heb mijn best gedaan  een goed mens te zijn en waardig te leven. Gun mij dan de dood waardig, en  in de wetenschap van de warmte en zorg van mijn vrienden. Laat zij me op die laatste momenten uit de kom van het dagelijks leven halen, me beschutten tegen de kille wind der realiteit en me laten  inslapen omringd en vastgehouden door hen die me liefhebben. Zij, die als een familie voor me waren.

Er bestaat niet zoiets als een goed mens, alleen een poging daartoe.

Ik heb u allen verteld dat ik stervende ben. Nou ja, welke mens is dat niet. Echter mijn levensverwachting is drastisch korter dan die van mij leeftijdgenoten. Ik ben 17 maar ik verwacht de 20 niet te halen. Ik ben ziek. Ik heb kanker. Dat is een gemene, die kanker. Eigenlijk is kanker een verzamelnaam voor wel 100 ziektes. Wat ze gemeen hebben?  Het zijn celdelingsziektes. De mens is opgebouwd uit cellen. Elke cel heeft zijn eigen taak in het lichaam. Elke cel slijt ook sneller dan het lichaam zelf. Daarom vernieuwen cellen zich.  Echter wanneer cellen niet ophouden zich te vernieuwen, gaat het mis. Er ontstaat dan een soort groep van cellen , die sneller groeit dan afsterft. Deze cellen werken niet meer goed, voeren hun taak slecht uit. Dat is op zich al erg maar de cellen drukken ook andere cellen en organen die wel goed zijn, kapot. Daarnaast kunnen kankercellen zich bijvoorbeeld via het bloed verplaatsen en op andere plekken óók voor problemen gaan zorgen. Ik heb non-Hodgkin, een vorm van lymfklierkanker. Op 22 mei 2008 is de diagnose gesteld. Ik ben behandeld met chemokuren en daarna met bestraling. Tegen alle verwachting in groeiden de cellen door. Stamceltransplantatie was de volgende stap, maar tijdens de voorbereidende chemokuren al bleek het niet te helpen. Dat was m’n eind.  Ik krijg nu nog experimentele medicijnen maar op z’n best zal dat mijn dood alleen kunnen uitstellen. En zelfs dat staat niet vast. Het is triest. Ik ben 17. Ik wil leven, maar ik ga dood.”

Heftig, maar zo is het, niet anders. Ik hoop dat na mijn dood mijn verhaal verteld wordt. Ik vind het waardeloos dat op TV, in boeken, waar dan ook, altijd gepraat wordt over het verdriet van degenen die achterblijven. Maar het verdriet van de persoon die dood gaat? Het lijkt wel of niemand daarover wil praten. Nou daarom schrijf ik nu dus hierover. In mijn schrift. Het is een eenzame aangelegenheid, dood gaan. Zelfs als ik praat met de counselor op school, met pap en mam, met vrienden, met wie dan ook – de beleving van die wetenschap van dood gaan blijft iets dat diep van binnen zit en deel wordt van wie je bent en praten over wie je bent, dat doe je nu eenmaal niet zoveel. Mensen zien en beleven je en zo ontdekken ze wie je bent, tenminste wie zij denken dat je bent.  Alleen op papier kan ik wat van die diepste gevoelens over mijn leven en mijn naderende dood kwijt.

 

Als ik niet schrijf, als ik naar school ga, tussen mijn vrienden ben, dan leef ik het leven van nu. Net als zij. Dan draait het om onze belevenissen nu en binnenkort.  Als de vakantie voorbij is beginnen we aan het eindexamenjaar. We voelen dat het heel bijzonder is, ons laatste jaar op school. We moeten kiezen wat we na school gaan doen en waar. Hieraan kan ik niet mee doen. Ik bedenk hoe ik dood wil gaan . Maar ik doe wel mee met de drukte rondom het maken van ons profielwerkstuk.  Sommigen werken in kleine groepjes of met z’n tweeën. Ik maak – alleen, omdat ik dat wil, het moet echt ‘mijn werkstuk’ worden - een verhaal over Noord-Limburg tijdens de 2e Wereldoorlog, de gevechten, de bezetting, de bevrijding.
Met pap en mam ga ik naar de herdenking van de slag om Arnhem. Het is een mooie nazomerdag. Op de Ginkelse Heide bij Ede zien we met duizenden andere mensen de vliegtuigen overkomen en de droppings met van die grote witgrijze ronde parachutes, van die waarvan vrouwen – als ze er één in handen konden krijgen – bloesjes maakten. Je moest toch wat in die tijd om iets nieuws aan te kunnen trekken. Ik ben gelukkig heel fit. We moeten de auto parkeren een heel eind van de heide af. Pendelbussen brengen  ons naar de plek waar het gaat gebeuren.  We moeten best wel lang wachten voordat er eindelijk vliegtuigen overkomen maar het is de moeite waard. En dan weer terug naar de auto. Pendelbussen, jawel … maar iedereen wil tegelijk mee en dat gaat niet. De organisatie was toen we kwamen prima maar nu … het is complete chaos. Mensen die elkaar verdringen om een plekje in de bus te krijgen. Op een gegeven moment gaat  het zelfs zo ver dat de bussen politiebescherming krijgen. Hebben we net zitten kijken naar een spektakel als herinnering aan de bevrijding van ons land, iets waar we toch met z’n allen heel blij mee zijn, gaan we bijna onderling op de vuist en worden buschauffeurs respectloos uitgescholden. Alsof zij iets aan die chaos kunnen doen. Nee, ergens zijn wat mannetjes en vrouwtjes achter de schermen die deze gebeurtenis hebben georganiseerd. Zij hebben om wat voor reden dan ook deze chaos niet voorzien, niet in de gaten gehad dat het kon gaan gebeuren dat iedereen tegelijkertijd wilde vertrekken. Mam stelt voor dat we dan maar terug naar de auto gaan lopen, maar denkt  dat ik het misschien niet kan. Nou mooi dat het anders is. Ik zou dat best gekund hebben, ik voel me goed, maar mam zelf … nee die heeft  echt de conditie niet. Dat zeg ik haar en werkelijk hoe groot is mijn innerlijke triomf als  pap me gelijk geeft! Echt gaaf.
Nadat we eindelijk weer in de bewoonde wereld zijn  aanbeland gaan we nog even het centrum van Ede in, drinken we wat op een terrasje en luisteren  naar een Schotse groep doedelzakblazers. Ze zijn goed. Er is ook een markt met boeken en allerlei attributen uit de 2e wereldoorlog. Al snuffelend vinden we een boekje over de slag om de Peel. Een boekje uit 1949, geschreven door iemand die het mee gemaakt heeft, bijna een ooggetuigenverslag. Werkelijk een pronkstukje dat ik goed voor mijn profielwerkstuk kan gebruiken. Deze dag voel  ik me bijna weer gewoon, niet ziek, niet iemand die dood gaat.

 

School is mijn houvast, het gewoon zijn tussen en met mijn vrienden. Vaker komen we ’s avonds bij een van ons bij elkaar of in de kiét om te kletsen of om films te kijken, een keer gaan we zelfs de hele nacht door – de ene film na de andere.  En dan …  de schoolreizen staan op stapel. Ik heb me ingeschreven voor de Rome-reis. Ik ga naar Rome. Op 4 oktober vertrekken we, drie docenten, ik en 17 meisjes. Die mogen ’s avonds niet op straat zonder jongen erbij.  En dan ben ik de enige jongen op die reis. Dat worden dus zeven drukke dagen!

 

29-09-2009
“Wat kan ik u vertellen? Ik zit nu op school, tussenuur, het 7de . Het 8ste lesuur heb ik les over Rome. Daar gaan we met school naar toe van zondag 4 oktober tot en met zondag 11 oktober. Ik ben daar dan de enige jongen tussen 17 meisjes. Hemel of hel? De tijd zal het me leren.  Tijd, zo’n raar begrip nu. Het lijkt me of de tijd stil staat. Ik wil weten wanneer, wanneer ik zal sterven en hoe. Ik ben ook toe aan een knuffel. Een echte warme knuffel. Ik voel me alleen, koud. Het liefst zou ik mijn hart eruit rukken of er een kogel dwars doorheen jagen. Alles om de pijn te verdrijven. Als ik maar niet alleen ben als ik sterf. Mensen begrijpen me ook niet. Ik wil gewoon verder met m’n leven , natuurlijk, maar daarmee bedoel ik niet dat ik niet wil dat mensen er met me over praten. Als ik er over begin, krijg ik wel eens het verwijt dat het voor de ander ook niet gemakkelijk is. Dat zal ook best, maar snappen ze dan niet dat het zwijgen meer pijn doet dan dat ze iets verkeerds zouden zeggen. Ik heb geen toekomst meer en daar wil ik best om getroost worden! Geef me toch die liefde en vriendschap die ik anders gedurende m’n leven zou krijgen! Sorry m’n emoties spelen me parten, iets zinnigs kan ik u niet vertellen. Mijn excuus voor het verspillen van uw tijd. Sorry, I will always be.

 

06-10-2009
“Hoeveel kerken heb ik vandaag gezien? Meer als 10, dat is zeker. En ik heb minstens het dubbele aantal kilometers gelopen. Kerkendag. Op heilige plaatsen. Uit de 6e eeuw, 5e eeuw. Een houten deur uit de 5e eeuw , met de oudste afbeelding van de kruisiging van Christus in de Santa Sabina Basilica. Ja, veel lopen, veel zien. Van ’s morgens vroeg tot laat in de middag. Op de terugweg gelukkig de metro. Wat was die vol! Als runderen stonden we samen gepakt. Ach ja, liever dat dan lopen. Nooit heb ik zo lekker gedoucht als vandaag. Lekker warm water wat de spieren ontspant na een zware maar leuke dag.
Op dagen als vandaag vergeet ik de dood. Vandaag was het goed. Het Coloseum heb ik gezien en in de Santa Maria Majore lag een stuk hout met wat ijzer er om heen. Volgens de overlevering een stuk van de kribbe van Jezus. Dat is natuurlijk niet echt zo, maar het hout is wel oud, en gelovigen geloven toch wel in de relikwieën. Op de heuvel van de Basilika de Santa Sabina hadden we een prachtig uitzicht over de stad. Prachtige voor een huwelijksaanzoek, en voor foto’s!
Straks eten. Hopelijk heb ik geen beenkramp vannacht. En morgen geen steken in m’n borst. Ze wilden me vandaag in een taxi zetten, zodat ik niet hoefde te lopen. Absoluut niet! Zolang ik nog op mijn benen kan staan, doe ik dat. Toch die steken later op de dag …. Ik val liever niet dood neer hier in Rome. “

Ik heb het erg naar mijn zin gehad in Rome. We hadden een heel leuke groep en Jaap, de leraar die geen meneer genoemd wilde worden, was een geweldige gids. Rome was mooi en groot. We hebben wat afgelopen daar. Op momenten kon ik nog wel lopen maar blijven staan werd problematisch. Voor mijn ouders en mijzelf heb ik mooie souvenirs mee genomen.
“Wat ansichtkaarten, een minikalender met plaatjes van gebouwen in Rome, een 1142 foto’s met m’n fotocamera. Voor m’n ouders samen een miniatuur  Coloseum uit gegoten gips en voor elk een borrelglas met een afbeelding van het Coloseum. Voor mam met een rode bodem, voor pap met een groene. Voor mezelf heb ik een sleutelhanger in de vorm van een romeins kort zwaard, een kleiner Coloseumpje en 2 figuren van romeinse legionaires. Een die z’n speer gooit, de ander met een kort zwaard. Allebei prachtig beschilderd, ook al zijn ze van plastic. Staand boven mijn bed bewaken ze me nu. Ja, Rome was geweldig! Echt!”

 

Ik begin wel te voelen dat het steeds slechter met me gaat. Ik moet me al geregeld, gelukkig nog niet altijd,  door mam met de auto naar school laten brengen en met gymen kan ik ook al niet meer mee doen. Ik sta te hijgen boven aan een trap. Ik heb geen eetlust, krijg niets naar binnen, hoogstens wat cola.
“Volgende week maandag de uitslag van een scan die ik maandag moest ondergaan. Ik verwacht niet veel goeds. Groei van het lymfoon, stoppen van de chemokuren. En wellicht, een termijn. Laat mij dus maar lekker fietsen, nu het nog kan. Ook al gaat het langzamer als eerst.  Hopelijk haal ik m’n 18e verjaardag nog, …”.
Ik had helemaal gelijk. Het lymfoon is gegroeid, het drukt mijn rechter long in zodat ik minder lucht krijg dan normaal.  Ik zweet ’s nachts en heb hoge koorts, prikkelhoest en slechte eetlust, zeg maar gerust geen eetlust. Alle behandeling wordt nu gestopt. Ik krijg alleen nog maar prednizon om de symptomen te onderdrukken en stoom van de ketel te halen. Het lijkt in ieder geval tegen het hoesten goed te werken.

 

20-10-2009
“Deze week zou ook ‘mijn’ dag zijn van de Stichting “Doe een wens”. Hopelijk morgen of woensdag. Lekker geen 8 uur school. En dan donderdag uitslapen. Zou leuk zijn, niet? Dan zaterdag met pap naar de modeltreinbeurs in Utrecht. Heb ik héél ‘véél zin in. En komende maandag, in de herfstvakantie, gaan we met z’n drieën naar Engeland. Per boot. Pap maakt zich zorgen over het links moeten rijden, mam over het krijgen van engelse ponden. Ik vind het alleen maar kei gaaf dat we naar Engeland gaan.”

Mijn wensdag moest worden uitgesteld, het was te slecht weer. Wat ik dus al weet is dat het goed weer moet zijn voor wat we gaan doen. Parachute springen? Ik heb verteld aan de dames die op bezoek zijn geweest dat ik dat heel graag eens wil doen. Ik heb vaker in Frankrijk mogen parapenten, - van de berg af rennen en dan zeker twintig minuten zwieren boven Millau – maar uit een vliegtuig springen dat lijkt me een prachtige ervaring. Zou zo mooi zijn, net als die parachutisten uit de 2e wereldoorlog en zoals dat afgelopen september nog eens over werd gedaan  op de Ginkelse Heide bij Ede. De wensdag wordt nu gepland na onze trip naar Engeland. Ook goed. Het is fijn om een aantal leuke dingen in het vooruitzicht te hebben.

 

Al heel lang heb ik wat met Engeland. Komt beslist door mijn hobby – de geschiedenis van de 2e wereldoorlog en het vliegen. Ik heb natuurlijk Biggles – een Brits gevechtspiloot, spion en detective – gelezen. Vooral de verhalen van toen hij vloog voor de Royal Air Force (RAF) vond ik mooi. Later heb ik op cd de verhalen van de echte gevechtspiloten van de RAF beluisterd. Ik vind die mannen geweldig. Hun nuchterheid, hun moed, de vriendschap en kameraadschap tussen de piloten en niet te vergeten hun geweldige echt Engelse humor. Kwamen ze terug van een airraid boven Duitsland, hadden ze bommen laten vallen, waren ze ontsnapt aan Duits afweergeschut of luchtaanvallen zeiden ze doodleuk “It was a jolly good show”.  Ik heb dat gebruikt als mijn motto op het Mission4Today forum.
Ik hou van Engeland. In 2007 ben ik er voor het eerst geweest. Met school, een soort uitwisseling. We waren in Birmingham en logeerden allemaal bij een Engels gezin. Ik logeerde bij David. Zijn ouders waren heel erg aardig, ik kreeg echt een heel warm welkom. Met David kon ik het gelukkig ook goed vinden. We gingen met die Engelsen mee naar school en hebben met elkaar heel veel leuke dingen gedaan. Sindsdien denk ik steeds vaker dat ik best wel in Engeland zou willen wonen en leven.
Ik hou ook erg veel van die typisch Engelse crimies. Ik kijk er vaak naar samen met mam. Midsummer Murders, Inspector Morse, Lynley, om er maar een paar te noemen. De sfeer, de humor, daar kan ik heel erg veel van genieten.
En nu gaan we dus naar Engeland. Ik wilde al heel lang graag een keer naar Engeland op vakantie maar pap en mam willen steeds naar Frankrijk, voor het mooie weer zeggen ze. Nou ik vind het vaak veel te warm daar. Maar nu gaan we dus en ik heb mogen zeggen waar ik naar toe wil in Engeland. Ik heb navraag gedaan op het forum: wat móet ik gezien hebben? Ik kreeg best veel reacties, ook van iemand die me uitnodigde om naar Canada te komen, veel mooier dan Engeland. Nou ja, dat gaan we dus niet doen. Iemand vertelde dat ik beslist naar Duxford moest. Daar ligt het vliegveld van waar de RAF haar luchtaanvallen op Duitse doelen uitvoerde in de 2e wereldoorlog. Nu is hier het Imperial War Museum. Ik heb het opgezocht en mam gezegd dat ik dan graag daar heen zou willen gaan. Dat gaan we doen nu. Het ligt vlakbij Cambridge waar we ook een kijkje gaan nemen. Mam heeft via internet een hotel geboekt. Ze heeft speciaal iets uitgezocht dat typisch Engels is. Alleen de naam al: The Old Ferry Boat Inn. Wit gepleisterd met een rieten dak, erkerramen, lage balken plafonds. Er zou zo een aflevering van Midsummer Murders in opgenomen kunnen worden. Ik wordt er verwend. De eerste ochtend gaan we voor het ontbijt zitten aan een tafeltje voor een erkerraam. De volgende dagen is dit tafeltje steeds voor ons gereserveerd. Engels ontbijt natuurlijk in allerlei  variaties zodat het moeilijk kiezen is. Want onder invloed van de prednison heb ik enorme eetlust gekregen  en alles is lekker. Uiteindelijk mag ik gewoon mijn eigen ontbijt samenstellen uit al die lekkere bestanddelen, ik hoef niet meer te kiezen. “De Engelsen zijn geweldig! Super vriendelijk, kei lekker ontbijt. Witte bonen in tomatensaus, gegrilde champignon, gegrilde tomaat. Ei, gebraden spek, Schotse zalm, Lekker.”  ’s Avonds gaan we in een klein stadje – Huntingdon – pizza eten, een aantal keer. Ze zijn er zó lekker, die pizza’s. “Ik heb wel veel kramp gehad daar. Later ook, maar ja … .”
We bezoeken het War Memorial Museum twee hele dagen, er is zo verschrikkelijk veel te zien. Hangars met vliegtuigen van het allereerste begin tot de modernste toestellen van nu met natuurlijk heel veel ruimte voor de RAF-toestellen. Er staan ook nog de houten barakken – de mess – van de piloten. Er zijn ook allerlei voertuigen te bewonderen. Heel bijzonder was de commandoruimte nog helemaal in tact zoals het toen was.  Ik kreeg er een leuk souvenir.  Een beertje. “Zo’n beertje met een vliegersmuts en jas, compleet met sjaal en vliegersbril. Heel lief.”
Als we naar Cambridge gaan, we zitten al bijna in de auto, komt de eigenaresse van het hotel ons achterop. Ze geeft ons een briefje met het adres van een pub. Daar móeten we naar toe. De Eagle. Het is een pub met eeuwen geschiedenis, zoals dat hoort in Engeland. Het is de RAF-bar. Een kleine bruine ruimte. Hier ontspanden Raf-piloten zich met een pint en een sigaretje. Alleen dat idee al, dat ik in dezelfde pub kan zijn als die RAF-pi loten. In het echt valt het tegen. Het is er heel druk – allemaal toeristen, net als wij -  zodat wij alleen een plekje kunnen vinden op het buitenterras, wel leuk hoor, maar dat is het dan ook. Met mam ben ik wel even binnen wezen kijken. Het is er donker, vol en benauwd. Maar … we hebben het plafond gezien, een heel bijzonder plafond. Die piloten, die hielden wel van een geintje. Met het vlammetje van hun aanstekers schreven ze hun namen en andere boodschappen op het plafond en dat is nu nog steeds te zien. En eens op een avond is de barjuffrouw op een tafeltje gaan liggen – er zullen wel al heel wat pints gedronken zijn toen – en met hun aanstekers hebben die piloten haar lichaamsomtrek voor altijd vast gelegd op het plafond. Dit is het Engeland waar ik zo gek van ben. Maar het meest leuk aan Cambridge vond ik toch die colleges. “Merkwaardig. Je loopt het binnenmuurse park van een college in, en weg is de herrie van de stad. Je hoort de vogels zingen, je ziet eekhoorntjes. En dat midden in de stad. We zijn ook op een gondel de rivier de Cam op geweest, langs alle colleges. Onze gids kon er heel goed over vertellen.  Over het ontstaan, ruzies tussen colleges, stunts van studenten, en over de vele bruggen over de Cam.”
Als afsluiting van ons verblijf in Engeland – voordat we de nachtboot terug naar Hoek van Holland op gingen – hebben we gegeten in een echt Amerikaans restaurant op de pier van Yarmouth. Zo’n  geval met plastic tafeltjes en rode banken van overduidelijk namaakleer, neonlicht, een jukebox, cola reclameposters. Ik heb hier werkelijk een super week gehad.
Even bijkomen thuis en dan begint wat ik noem ‘het seizoen’, de tijd van Sint Maarten, Sinterklaas, Kerst, mijn verjaardag, Oud op Nieuw. Dit vind ik altijd de fijnste tijd van het jaar. Deze keer begint die zelfs nog eerder, op 1 november al met de Wensdag.  Maar ja, nu weet ik het - dit seizoen, mijn seizoen … het is ook mijn laatste seizoen. Maar toen in Engeland en daarna weer thuis, toen voelde ik me goed. Prednison is een paardenmiddel, ik krijg er blozende opgeblazen wangen van, heel veel eetlust maar vooral: ik voel me er goed door.

Nieuwe reacties

02.10 | 11:25

Lord Bubuza verenigde mijn man en ik na 8 jaar scheiden .. Het begon allemaal toen mijn man vreemd ging en elke keer dat ik klaagde dat hij niet zou luisteren in plaats daarvan zal hij wakker worden zonder een woord te zeggen, kwam hij op een dag thuis va

...
03.08 | 23:49

Ha Maarten, dank voor je reactie. Jij houd je bezig met de geschiedenis v.d. Fröbergen? Ben benieuwd naar de documenten waar je het over hebt. Van de marine?

...
03.08 | 20:00

Erg mooi verhaal, ik heb documenten die je verhaal bevestigen. Ondertussen boek besteld.

...
19.05 | 19:28

Een nieuwe toevoeging aan mijn website: Schrijfsels. Oefeningen in schrijven, gedachtespinsels, gedichtjes, mijmeringen, zo maar wat gepraat.

...