Joppe en Gerda

Geschiedenis

Ik ben mijn verhaal begonnen met me aan u voor te stellen. Ik heb u verteld over mijn afkomst, nog aangevuld met het verhaal van mijn moeder over mijn voorvader Samuel. U weet al dat ik kanker heb en dood zal gaan. Eigenlijk weet u nog helemaal niets van mij. Wie ik ben, wat mijn interesses zijn, mijn verlangen. Wat belangrijk is voor mij in het leven. Nou ja, een beetje dan. Huisje, boompje, beestje. Liefde natuurlijk, dat in de eerste plaats. En vriendschap, dat komt direct op de volgende plaats.  En vertrouwen, dat vind ik ook belangrijk.
Ik heb een leven vol interesses en verlangens. Even heb ik geen zin om over mijn ziekte te praten, over dood gaan, laat ik nu maar eens terugblikken op mijn leven en activiteiten, wat mij dreef toen de kanker nog niet mijn leven begon te beheersen.

 Ik was zestien toen ik ziek werd, net op weg van kind naar jong volwassene, een puber noemen ze dat. Meisjes puberen eerder dan jongens zeggen ze maar volgens mij was ik er net zo snel bij als de meisjes, in ieder geval eerder dan de jongens op school waar ik mee optrok. Ik vond ze vaak flauw en kinderachtig met hun eeuwig plagen -  bijna pesten -  van elkaar, het duwen en trekken, schoppen, slaan soms of het spullen van elkaar afpakken.  Ik hield er niet van en deed er niet aan mee.
Ik weet wat pesten is, heb er zelf heel erg onder geleden op de basisschool. Uiteindelijk heeft het me gevormd tot wie ik ben, dat wel, maar leuk was anders.
Toen ik nog klein was, ging het allemaal nog wel. Ik had vriendjes die mij thuis kwamen spelen of ik bij hun. Vanaf groep vier ging het mis. De oorzaak zoek ik in twee factoren, de één buiten mijzelf, de ander in mijzelf.

Met pap en mam bezocht ik tijdens onze vakanties vaker kastelen in Frankrijk. Daardoor had ik al veel geleerd over de Middeleeuwen en ridders in het bijzonder. Ik zag het allemaal voor me. De ridders, de pages, de jonkvrouwen, de paarden en het voetvolk op de binnenplaatsen. De ophaalbrug en de poort die gesloten werd als de mannen op de hoektorens de vijand zagen naderen. De gevechten om het kasteel te veroveren. De stenen en de hete olie of pek die vanaf de muren naar beneden werden gegooid, de ladders waarlangs de vijand naar boven probeerde te klimmen, de grote houten katapulten waarmee stenen kogels tegen de muren werden geslingerd. Ik had er mooie strip- en kijkboeken over. Ik had speelgoed riddertjes en natuurlijk een zwaard, helm en harnas om zelf te dragen wanneer ik riddertje wilde spelen.
Deze interesse bleef bestaan maar daarnaast misschien omdat pap dokter was, ik weet het niet zeker, was ik van kleins af aan hevig geïnteresseerd in de hulpverlening: politie, ambulances maar vooral de brandweer vond ik prachtig. Ik tekende allerlei taferelen van ongelukken en rampen waarbij de hulpverleningsvoertuigen betrokken waren.

In groep vier kwam er een nieuwe jongen in de klas, naar Kessel verhuisd vanuit het buurdorp. Ik had een vriendje in die tijd waarmee ik veel en graag speelde, dan bij hem thuis dan bij mij thuis. We waren allebei verzot op bouwen met lego, vooral natuurlijk politie- en brandweerauto’s.  Maar daar was die nieuwe klasgenoot, een beetje brutaal, uitdagend, hij wilde zich snel populair maken denk ik. De eerste die hij in zijn netten ving was mijn vriendje. Korte tijd speelden we nog met z’n drieën maar als een soort koekoeksjong dreef hij mij meer en meer naar de marges van ons samenspel totdat ik op een gegeven moment helemaal niet meer mee mocht spelen. Ik was mijn vriendje kwijt. Waarom dat zo was en hoe het zo gebeurd is, weet ik niet. Het was in eens een werkelijkheid.
Om zich binnen de groep jongens van onze klas een positie te verwerven en om die ook te behouden, had hij een zwart schaap – een slachtoffer – nodig, dat werd ik. Het gebeurde geleidelijk en ik had het niet in de gaten, hoe kon ik ook, ik was nog maar zeven jaar, nog veel te klein om te begrijpen hoe dergelijke groepsprocessen werken laat staan dat ik me er tegen had kunnen weren. En ik was zeker een makkelijk slachtoffer , een goed doelwit om zijn pijlen op te richten.
Precies weet ik het niet meer, maar het moet ongeveer geweest zijn toen ik zeven was en  in groep vier zat, dat mijn interesse meer en meer verschoof naar het leger, m.n. tanks en voertuigen uit de Tweede Wereldoorlog vond ik geweldig. Dat alles was teweeg gebracht door een bouwpakketje van een tank dat ik van mijn buurjongen en klasgenoot had gekregen. Hij kon er niets mee.
In de tuin verbouwde ik, samen met mijn buurjongen totdat ook hij niet meer met mij gezien wilde worden, een braak stukje grond tot een waar loopgraventerrein met zandzakken, groene netten, houten geweren, alles erop en er aan. Ik bracht er uren door, mijn slagveld steeds verbeterend met in mijn hoofd de strijd en de bewegingen, de acties van mijn helden.
Op school stak ik mijn belangstelling en kennis over het onderwerp niet onder stoelen of banken. Ik hield er mijn spreekbeurten over.  Ik maakte tekeningen van tanks, vliegtuigen, gevechten op de grond en in de lucht. De juf wilde heel graag dat ik eens iets anders maakte maar dat wilde ik niet. Dit alles maakte mij dus anders dan de ander jongens die stoeiden, aan elkaar trokken, op hun fietsen rond crosten, verstoppertje speelden of kattenkwaad op straat uithaalden.
En zo werd ik een willig slachtoffer van pesterijen, mijn nieuwe klasgenoot kreeg veel van de jongens uit mijn klas mee, anderen hielden zich afzijdig, maar meer en meer was vrienden zijn met mij, of zelf maar gezien worden pratend met mij, niet echt handig als je erbij wilde horen en dat willen alle kinderen op die leeftijd, erbij horen, meedoen en vooral geen buitenbeentje zijn.
Ruzies, scheldpartijen, trekken en slaan, schoppen, treiteren, gymtas afpakken … vaak kwam ik huilend en boos thuis uit school. Mam bedoelde het goed, ging diverse keren met mijn juf praten maar die meende dat het allemaal wel los liep. We – de jongens waarmee ik overhoop lag en ik – hadden het uitgepraat en elkaar beloofd dat het niet meer zou gebeuren. Ik moest nu niet verder zeuren en gewoon gezellig mee spelen. En dan was er weer een volgende keer. Mijn juf - die ook nog eens  twee schooljaren achter elkaar mijn juf bleef - bleef het zien als incidenten. Op een gegeven moment wilde ik zelfs niet meer dat mam mee naar school kwam om met de juf te praten – het hielp toch niet en de jongens uit de klas die het zagen gniffelden en zagen een nieuwe aanleiding voor getreiter en gepest. Pas in groep 8 was er verbetering. Mam had  inmiddels in de gaten gekregen waar de oorzaak lag en had op school afgedwongen dat ik niet meer bij die ene vervelende et… (sorry) in de klas kwam. Ik kreeg juf Marianne en zij en ik mochten elkaar wel.  Ik begreep haar grapjes, haar humor sprak me aan. Bovendien maakte zij direct korte metten met iedere eerste aanzet tot pesterij, de jongens durfden niet meer. Maar jammer genoeg was er al schade aangericht. Mijn vertrouwen en veiligheidsgevoel had een enorme knak gehad. Het zou nog jaren duren voordat ik weer aan iemand durfde te denken als een vriend.
Thuis voelde ik me fijn op mijn eigen grote zolderkamer -  lekker veilig -  en kon ik me heerlijk bezig houden met mijn hobby. Mijn fascinatie groeide met de weken, maanden en jaren. Ik was dagen bezig met mijn bouwpakketten en werd steeds beter in het verven en in elkaar zetten. Mijn belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog en mijn kennis erover namen hand over hand toe.  Die fascinatie voor de  oorlog - en later ook meer en meer voor de Eerste Wereldoorlog -heb ik mijn hele leven gehouden. Ik las veel over de oorlog, keek films, luisterde naar cd’s waarop oud RAF-piloten hun verhaal vertelden – zo heb ik heel veel Engels geleerd – en bouwde inmiddels grote diorama’s van taferelen uit verschillende veldslagen. Ik had het ene project nog niet af of ik was in mijn hoofd al weer bezig met het volgende.  Met pap en mam ben ik vaker in het oorlogsmuseum in Overloon geweest en bezocht ik de vele kleine musea in de Ardennen – vaak niet meer dan een verbouwde boerderij met grote schuren - waar voertuigen en poppen in uniformen van verschillende eenheden en rangen en standen uitgestald waren, soms in diorama’s.
Heel bijzonder was ons bezoek aan Bastogne in 2004, ik was bijna 13 jaar. Van 20 t/m 27 december 1944 werd de stad omsingeld door Duitse troepen tijdens het  Ardennenoffensief.  Bastogne, toen en ook nu nog een knooppunt van wegen, was strategisch van groot belang. Einddoel van het Duitse offensief was de herovering van de haven van Antwerpen en daarmee de afwending van de opmars van de geallieerden. Een weekeind lang werd in Bastogne herdacht dat zestig jaar geleden Generaal Patton met zijn manschappen op de valreep de stad, en daarmee ook de bevrijding van Europa en Nederland, ontzette door de omsingeling te doorbreken.

Geschiedenis werd op het Atheneum mijn lievelingsvak. Ik was er goed in en soms wist er zelfs meer over te vertellen dan mijn leraar of ik kon hem verbeteren. Dat vond ik stiekem wel leuk. Het spreekt dan ook van zelf dat mijn profielwerkstuk over de oorlog zou gaan. Het ging over de gevechten bij Overloon aan het einde van de oorlog.  Ik heb nog een concept kunnen inleveren voordat ik dood ging maar helaas te laat om van mijn leraar te horen wat hij er van vond. Ik vond het zelf wel heel goed.

Ik was veel alleen en met de loop der tijd begon ik me eenzaam te voelen, zo nu en dan, niet altijd, want ik had mijn helden, de Amerikanen, Canadezen en de Britten, m.n. de RAF-piloten. Zij hadden hun leven gegeven om ons land, om Europa te bevrijden van Hitler. Zij hadden er voor gezorgd dat ik in vrijheid en in welvaart kon leven. Het waren echte helden, jonge knullen nog, ver van huis om te vechten voor de bevrijding van Europa. Zij wisten dat Hitler nooit zou verdwijnen door praten en overeenstemming zoeken. En ze gingen, vastbesloten om voor het goede doel  - herstel van vrede, veiligheid en democratie -  te vechten. Ik bewonderde hen daarvoor.
Zo iemand wilde ik ook worden, een held die voor andere mensen en landen vecht voor de goede zaak. Voor hun vrijheid, hun welzijn. En te vechten valt er nog genoeg in de wereld. Ik zag mijn toekomst in het deelnemen aan vredesmissies, ergens in een Oost-Europees land, in Afrika of waar dan ook in de wereld. Alleen liever niet in een gebied waar het barst van de slangen waar daar ben ik als de dood voor. Het liefst wilde ik piloot worden maar als dat niet zou kunnen dan wilde ik ook wel in een tank rondrijden. Ik droomde ervan om op deze manier mijn bijdrage te leveren aan een betere wereld, ik zou ook een held worden.

Toen ik ziek werd heeft deze droom mij wel geholpen. Ik had een gevecht te leveren, met moed, dapperheid en een open vizier ging ik mijn strijd tegemoet.  Ik wist niet of ik mijn oorlog zou winnen of verliezen maar als held ging ik er in - en dood of levend  - als held zou ik eruit komen.

 

Schrijf een reactie: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle reacties

Nieuwe reacties

02.10 | 11:25

Lord Bubuza verenigde mijn man en ik na 8 jaar scheiden .. Het begon allemaal toen mijn man vreemd ging en elke keer dat ik klaagde dat hij niet zou luisteren in plaats daarvan zal hij wakker worden zonder een woord te zeggen, kwam hij op een dag thuis va

...
03.08 | 23:49

Ha Maarten, dank voor je reactie. Jij houd je bezig met de geschiedenis v.d. Fröbergen? Ben benieuwd naar de documenten waar je het over hebt. Van de marine?

...
03.08 | 20:00

Erg mooi verhaal, ik heb documenten die je verhaal bevestigen. Ondertussen boek besteld.

...
19.05 | 19:28

Een nieuwe toevoeging aan mijn website: Schrijfsels. Oefeningen in schrijven, gedachtespinsels, gedichtjes, mijmeringen, zo maar wat gepraat.

...
Je vindt deze pagina leuk